Skip to content

De vijfde mini-theorie van SDT: de goal contents theory

De vijfde theorie binnen de zelfdeterminatietheorie is de goal contents theory. Die theorie is gebouwd op empirisch onderzoek naar de effecten van de inhoud van doelen, voor individuen, in organisaties en in samenlevingen. Het is een theorie die uit meerdere componenten bestaat en gebaseerd is op een grote hoeveelheid studies en onderzoeksgegevens. Dit artikel is een poging tot een samenvatting van een klein deel ervan, gebaseerd op het boek Selfdetermination Theory: psychological needs in motivation, development and wellness. De volgende thema’s worden kort behandeld:

  • Aspiratie index
  • Samenhang tussen doelinhoud en welbevinden
  • Drie proposities
  • Verschil tussen het doel onderschrijven of ernaar handelen
  • Als aspiraties veranderen, verandert het welbevinden
  • Het bereiken van je doelen en welbevinden
  • De vierde propositie: het proces
  • Hoe ontstaat de keuze voor extrinsieke doelen
  • De match tussen persoonlijke doelen en contextuele waarden
  • Invloed van de context op de relatie tussen doelen en welbevinden
  • Doelen en de ontwikkeling van de maatschappij
  • Propositie 5: de ontwikkeling van externe aspiraties
  • Effecten van hoe je doelen framed

Aspiratie index

Mensen kiezen hun doelen en proberen die te bereiken met de verwachting dat deze doelen een positieve opbrengst voor ze zal hebben. In de expectancy-value theorieën is dit de waarde-component: mensen adopteren doelen waarvan ze hopen dat die direct of indirect zullen leiden tot waardevolle opbrengsten. Maar de zelfdeterminatietheorie stelde dat dit een te vaag en ambigue construct was, omdat er geen onderscheid gemaakt werd naar autonoom of gecontroleerd streven naar het bereiken van het doel. Daarnaast vond SDT dit construct onvoldoende precies, omdat er niet werd gekeken naar de mate waarin de betreffende doelen leiden tot vervulling van de psychologische basisbehoeften.

Kaser en Ryan startte daarom onderzoek naar, zoals ze dat noemden, intrinsieke en extrinsieke doelinhoud. Intrinsieke aspiraties, zoals het investeren in nauwe banden, persoonlijke groei, investeren in de samenleving, werden onderscheiden van extrinsieke aspiraties. Extrinsieke aspiraties zijn bijvoorbeeld het verwerven van status, roem, rijkdom, image en een mooi uiterlijk. De Aspiratie Index die ze ontwikkelden maakte onderscheid tussen verschillende soorten doelen en het relatieve belang dat mensen hechten aan die doelen.

In de vroege onderzoeken werd gevonden dat het nastreven van intrinsieke doelen positief gecorreleerd was met welbevinden. Hoe hoger het relatieve belang dat werd gehecht aan financieel succes, des te lager was de persoonlijke ervaring van zelf-actualisatie en vitaliteit. Zie bijvoorbeeld ook hier. In de loop der jaren werden veel soortgelijke onderzoeken gedaan en die leiden tot de volgende bevindingen:

  • De intrinsieke aspiraties van persoonlijke groei en betekenisvolle relaties waren negatief gecorreleerd met symptomen van depressie en angst
  • De extrinsieke aspiraties van financieel succes was positief gecorreleerd met symptomen van depressie en angst
  • Intrinsieke aspiraties waren positief gecorreleerd met sociaal functioneren en productiviteit en negatief gecorreleerd met mentale ziektes
  • Extrinsieke aspiraties waren negatief gecorreleerd met sociaal functioneren en productiviteit en positief gecorreleerd met mentale ziektes

Deze onderzoeken waren de eerste onderzoeken die erop wezen dat het wel eens zo kon zijn dat de doel-inhoud een directe relatie heeft met welbevinden.

Samenhang doelinhoud en welbevinden

Vele studies volgden en gaven een onderbouwing van de juistheid van het onderscheid tussen  intrinsieke en extrinsieke aspiraties. Er werd in de vervolgonderzoeken werd gevonden dat intrinsieke aspiraties positief samenhangen met zelf-actualisatie, energie en vitaliteit, en negatief samenhangen met depressieve symptomen, fysieke symptomen en narcisme. Extrinsieke aspiraties laten het omgekeerde beeld zien. Het nastreven van extrinsieke doelen hangt samen met meer gebruik van genotsmiddelen zoals tabak en alcohol, marijuana en andere drugs en TV-kijken.

Deze resultaten werden gevonden in allerlei verschillende culturen, zoals in de U.S., in de USSR, in Hongarije, in Scandinavie, Duitsland, en andere naties. Dit werd gevonden op alle sociaal-economische niveaus van de samenleving en zowel bij kinderen als bij studenten als bij volwassenen als bij ouderen werden dezelfde resultaten gevonden. Lees ook hier.

Drie proposities

Deze onderzoeksresultaten leidden tot de volgende drie proposities:

  1. Intrinsieke doelen zijn gedefinieerd als die doelen die het meest direct geassocieerd zijn met het nastreven van wat inherent waardevol is, zoals nauwe relaties, persoonlijke groei en bijdragen aan je omgeving. Extrinsieke doelen zijn gedefinieerd als die doelen die focussen op instrumentele uitkomsten, zoals geld, roem, macht en uiterlijke schoonheid. Deze doelen liggen op een as van intrinsiek naar extrinsiek.
  2. Hoe sterker een individu extrinsieke doelen waardeert en prioriteert, in vergelijking tot intrinsieke doelen, hoe lager zijn welbevinden zal zijn. Hoe meer een individu intrinsieke doelen waardeert en prioriteert, hoe beter zijn persoonlijke welbevinden zal zijn.
  3. Deze relaties tussen intrinsieke en extrinsieke doelen en welbevinden is grotendeels een functie van de vervulling en de frustratie van psychologische basisbehoeften. Intrinsieke doelen nastreven leidt tot meer vervulling van psychologische basisbehoeften. De effecten zijn ook een functie van de regulatiestijl die ten grondslag ligt aan het nastreven van het type doel; extrinsieke doelen nastreven leidt, gemiddeld genomen, tot minder autonome regulatie en meer gecontroleerde regulatie dan intrinsieke doelen nastreven.

Deze drie proposities zijn gebaseerd op onderzoeken in diverse culturen. Zo werd onderzoek gedaan in 15 verschillende naties (Grouzet et al, 2005) en daarnaast in China, Zuid-Korea, Groot Brittannië en Chili.

Onderschrijven of handelen?

De volgende stap in de onderzoeken ging over de vraag of er een verschil is tussen het onderschrijven van bepaalde doelen en het actie ondernemen om die doelen te bereiken. Dus; als je persoonlijke groei, nauwe relaties en iets geven aan je omgeving en samenleving zegt belangrijk te vinden, heeft dat dan net zulke positieve effecten als wanneer je daadwerkelijk dingen doet die uiting geven aan die intrinsieke aspiraties?

Allereerst bleek dat mensen meer geneigd zijn om de intrinsieke doelen te onderschrijven als waardevol en belangrijk, dan dat ze ook daadwerkelijk handelen in overeenstemming met die intrinsieke aspiraties. Mensen die meer autonoom functioneren en die hun leven als betekenisvol ervaren, blijken ook een hogere correlatie te laten zien tussen het onderschrijven van intrinsieke doelen en het daadwerkelijk handelen en in hun gedrag nastreven van die doelen.

Het daadwerkelijk handelen en in het gedrag nastreven van intrinsieke doelen is een betere voorspeller van welbevinden dan alleen het onderschrijven van intrinsieke aspiraties. Het daadwerkelijk nastreven van extrinsieke aspiraties was een betere voorspeller van lager welbevinden dan het onderschrijven van extrinsieke aspiraties.

Het veranderen van je aspiraties

Longitudinaal onderzoek wierp vervolgens een licht op het effect van het veranderen van je aspiraties. Wanneer de doelen van mensen veranderen, verandert hun welbevinden ook. Als mensen meer intrinsieke doelen gaan nastreven, dan neemt hun welbevinden toe. Als mensen meer extrinsieke doelen gaan nastreven, dan neemt hun welbevinden af. Deze effecten blijken een functie te zijn van de vervulling van psychologische basisbehoeften.

Naast longitudinaal onderzoek werd ook experimenteel onderzoek gedaan. Het bleek dat een interventie die gericht was op het doen afnemen van een materialistische focus leidde tot een toename in zelfwaardering onder adolescenten.

Uit cross-generatie onderzoek bleek dat drie generaties na-oorlogse adolescenten in de USA steeds minder om anderen gaven, minder betrokken waren bij de gemeenschap en minder zorgvuldig waren met het milieu. De adolescenten in de drie opeenvolgende generaties waren steeds meer gefocust op extrinsieke doelen en steeds minder op intrinsieke doelen.

En als je het doel hebt bereikt?

Een logische vraag was of het verschil in effect van intrinsieke en extrinsieke doelen wellicht niet te maken had met de inhoud van het doel maar met het daadwerkelijk al dan niet bereiken van het doel. Wat gebeurt er wanneer mensen een intrinsiek doel of een extrinsiek doel bereikt hebben? Is er dan een verschil te zien in effect? De expectancy-value theorie voorspelt dat er geen verschil zal zijn; elk doel dat wordt bereikt leidt tot meer tevredenheid en geluk. Maar de doel-inhoud theorie doet een andere voorspelling, namelijk dat ook het daadwerkelijk bereiken van sommige door de persoon waardevol gevonden doelen negatieve effecten in plaats van positieve effecten op het welbevinden van de persoon zullen laten zien.

Onderzoeken bevestigden inderdaad dat deze propositie klopte. Het verwerven van extrinsieke doelen liet geen incrementele toename in welbevinden zien, maar het verwerven van intrinsieke doelen liet die toename wel zien. Dus: het onderschrijven van intrinsieke doelen is positief geassocieerd met welbevinden en het onderschrijven van extrinsieke doelen is negatief geassocieerd met welbevinden, maar daarboven op komt dat het bereiken van intrinsieke doelen positief geassocieerd is met welbevinden en het bereiken van extrinsieke doelen geassocieerd is met geen winst of marginale winst voor het welbevinden.

Deze resultaten werden gevonden bij studenten, starters op de arbeidsmarkt, werkenden en ouderen. Ouderen, bijvoorbeeld, die intrinsieke doelen nastreven en bereiken hebben een beter welbevinden, hogere ego-integriteit en een betere attitude ten aanzien van de dood (acceptatie en geen angst). Ouderen die extrinsieke doelen nastreven en hebben behaald tonen meer wanhoop en angst omtrent de dood en hebben een slechtere psychologische gezondheid.

De vierde propositie

Al dit onderzoek leidde vervolgens tot een vierde propositie:

  1. Progressie ten aanzien van en succes in het bereiken van extrinsieke doelen is geassocieerd met minder toename in welbevinden dan progressie ten aanzien van en succes in het bereiken van intrinsieke doelen. Deze effecten zijn grotendeels een functie van de psychologische basisbehoeftenvervulling.

Het proces waarmee individuen hun extrinsieke doelen aan het nastreven en bereiken zijn gaat gepaard met compromissen ten aanzien van autonomie, competentie en verbondenheid. Vandaar dat er directe negatieve effecten te zien zijn op het welbevinden van mensen; terwijl ze rijker worden of meer beroemd worden, voelen ze zich ook meer gecontroleerd, minder verbonden en minder competent.

Let op: we moeten steeds goed kijken naar het onderliggende doel en de onderliggende aspiratie van mensen. Iemand die zich richt op het verdienen van geld met als onderliggende aspiratie om rijker te worden dan zijn buurman streeft een extrinsiek doel na. Maar iemand die zich richt op het verdienen van geld met als onderliggende aspiratie om goed te zorgen voor zijn kinderen en zijn ouders streeft een intrinsiek doel na.

Een kritische invalshoek was of het niet zo is dat de positieve effecten van het nastreven van intrinsieke doelen niet uitsluitend te maken heeft met de kwaliteit van motivatie die eraan ten grondslag ligt. Dus men vroeg zich af of het niet zo kon zijn dat alleen het feit dat je autonoom gemotiveerd bent voor een intrinsiek doel de voorspeller van positief welbevinden is. Uit longitudinaal onderzoek bleek vervolgens dat dit niet het geval was. De ‘waarom’-component en de ‘wat’-component van het nastreven van een doel hebben onafhankelijke effecten, zo bleek. De waarom-component refereert aan gecontroleerde of autonome motivatie. De wat-component refereert aan de inhoud van het doel, intrinsiek of extrinsiek. Zowel de autonome regulatie processen als de intrinsieke uitkomsten die je verwacht bij het nastreven van een intrinsiek doel zijn positieve voorspellers van welbevinden. Bijvoorbeeld: de aspiraties die afstudeerders vlak voor hun afstuderen hebben voorspelt de veranderingen in hun welbevinden in het volgende jaar. Kies dus zorgvuldig voor je doel na je afstuderen; het nastreven van een grote auto en veel status is niet de beste manier om psychologisch gezond te gaan functioneren.

Waarom dan toch een extrinsiek doel nastreven?

Hoewel het nastreven van intrinsieke doelen dus beter werkt voor mensen, komt het veel voor dat mensen extrinsieke doelen nastreven. SDT stelt dat de ervaringen van mensen waarin hun psychologische basisbehoeften niet voldoende werden vervuld of werden gefrustreerd leidt tot een focus op substituut behoeften. Zie ook hier. Extrinsieke doelen nastreven wordt vaak voorafgegaan door een periode waarin de psychologische basisbehoeften van de persoon niet werden vervuld. Het nastreven van die extrinsieke doelen is dan logischerwijze meer gecontroleerd gemotiveerd dan autonoom gemotiveerd (o.a. het proberen te verwerven van conditioneel respect van anderen).

Match tussen persoonlijke doelen en contextuele waarden?

De match hypothese stelt dat het een voordeel is wanneer je eigen aspiraties matchen met de aspiraties die in je sociale context worden gewaardeerd. Die match hypothese komt in verschillende varianten terug in de sociale psychologie, de onderwijspsychologie en organisatiepsychologie. Net zo min als de matching hypothese klopt in die contexten, klopt hij ook niet voor wat betreft de doel-inhoud. Uit onderzoek bij business school studenten blijkt dat financiële doelen nastreven net zo goed negatief samenhangt met welbevinden als bij studenten en volwassenen in andere contexten wordt gevonden. Ander onderzoek liet zien dat studenten in business schools wel vaker extrinsieke doelen nastreven dan studenten in het onderwijs, maar de sterkte van de extrinsieke doel oriëntatie was desalniettemin net zo negatief gerelateerd aan het welbevinden van de business school studenten als aan het welbevinden van de onderwijsstudenten. De business school studenten die een meer extrinsieke doel oriëntatie hadden, lieten ook een lager welbevinden zien, meer inwendig verdriet en angst en een hoger niveau van genotsmiddelenmisbruik.

Invloed van de context

Er is enig bewijs dat er specifieke gevallen zijn waarin de sociale context een specifieke invloed heeft op de relatie tussen de intrinsieke doelinhoud en welbevinden. Gevangenen die leven in een intense en erg gestructureerde en beknellende omgeving, bijvoorbeeld, laten een hoger welbevinden zien wanneer ze weinig zelf-acceptatie hebben en weinig nauwe relaties opbouwen en aansluiting zoeken met anderen, als ze wel fysieke fitness aspiraties hebben. In die gevangenisomgeving worden fysieke fitness doelen gewaardeerd en worden persoonlijke doelen zoals zelf-acceptatie en verbondenheid met anderen juist niet gewaardeerd. Het zou dus zo kunnen zijn dat het nastreven van intrinsieke doelen zoals persoonlijke groei en nauwe banden met anderen tot te veel frustratie zouden leiden en dat het daarom beter is voor het welbevinden van de gevangene om die doelen niet na te streven in die context. Dit aspect van het onderzoek verdient meer aandacht, want er is nog weinig onderzoek gedaan en het is wel een heel relevant onderwerp want er zijn onderdrukkende samenlevingen waarin het voor mensen moeilijk is om intrinsieke doelen na te streven.

De inhoud van doelen en de maatschappij

Meerdere onderzoeken laten een effect zien van individuele doel oriëntatie op de samenleving. Individuen met hoge extrinsieke aspiraties hebben slechtere relaties met anderen, ze wantrouwen anderen meer en hebben meer conflicten met ze. Ze zijn minder empathisch en zien relaties meer als instrumenten om hun eigen doelen te bereiken. Ze gebruiken hun vrienden meer om vooruit te komen in het leven. Ze zijn meer bereid om macht te gebruiken om anderen te manipuleren.

Het experiment ‘tragedy of the commons’ van McGregor laat zien dat mensen die extrinsieke doelen nastreven de schaarse beschikbare resources sneller opmaakten dan mensen die intrinsieke doelen nastreefden en daardoor als groep slechter presteerden.  Ze gebruikten wat ze hadden te snel. Hebzucht is een sterk motief in de groep die extrinsieke doelen nastreefde en die leidde tot een snelle depletie van collectieve resources. Extrinsieke doelen nastreven is ook een negatieve voorspeller van milieubewust gedrag. Mensen met extrinsieke doel oriëntatie gaan sneller de competitie aan dan dat ze samenwerken, als de resources schaars zijn. Het nastreven van externe doelen gaat ook samen met meer raciale en etnische vooroordelen en een grotere tendens tot sociale dominantie. Mensen met een extrinsieke doel oriëntatie objectiveren anderen meer en gebruiken ze meer om de eigen extrinsieke ambities te bereiken. Grootschalig onderzoek laat zien dat een materialistische houding (mijn geluk kan worden vergroot door de verwerving van dingen die je met geld kunt kopen), is gerelateerd met een lager welbevinden (-0,24), meer risicovolle gezondheidsgedragingen en negatieve zelf-evaluaties. Dit effect wordt gemedieerd door de vervulling van de psychologische basisbehoeften. Longitudinaal onderzoek laat zien dat eenzaamheid een sterke voorspeller is van materialisme. Als mensen niet in staat zijn betekenisvolle relaties op te bouwen, bijvoorbeeld, dan focussen ze op substituut behoeften: producten die je kunt kopen met geld. Mensen die merken dat hun intrinsieke aspiraties niet aan het lukken zijn, doen meer impuls aankopen. Het type aankoop is trouwens medebepalend voor het effect ervan op je welbevinden; geld uitgeven aan een ervaring (concert, uitje met je geliefde of kinderen) is een voorspeller van welbevinden terwijl geld uitgeven aan een grotere TV of nieuwe jurk dat niet is.

Propositie 5: de ontwikkeling van externe aspiraties

En zo komt de SDT op de vijfde propositie van de goal content theory uit. Die luidt zo:

  1. Individuen wiens psychologische basisbehoeften zijn verwaarloosd of gefrustreerd tijdens hun ontwikkeling, vallen eerder ten prooi aan het ontwikkelen van substituut behoeften, zoals extrinsieke levensdoelen als persoonlijk belangrijke doelen. De mate waarin ze dat doen bepaalt de mate waarin hun welbevinden onder druk komt te staan.

De onderzoeken die werden gedaan om deze hypothese te toetsen lieten zien dat een ouderlijke omgeving waarin de psychologische basisbehoeften van kinderen worden gefrustreerd of niet worden vervuld, de ontwikkeling van extrinsieke aspiraties faciliteren. Rijkdom wordt dan een tastbare indicator van ‘een waardevol persoon zijn’ en representeert een substituut voor de psychologische basisbehoeften van competentie, autonomie en verbondenheid. Longitudinaal onderzoek liet zien dat kinderen wiens psychologische basisbehoeften op vierjarige leeftijd niet werden vervuld, tien jaar later een sterke extrinsieke aspiratie om geld te verwerven hadden ontwikkeld. Tieners wiens ouders een controlerende opvoedstijl hadden ontwikkelden extrinsieke aspiraties, misbruikten vaker drugs, alcohol en tabak.

Ouders die autonomie-ondersteunend opvoeden stimuleren intrinsieke aspiraties in kinderen. Het begrip Inherent Value Demonstrations is hierbij interessant. Ouders hebben de neiging om gedrag te laten zien dat congruent is met hun waarden. Ouders die intrinsieke waarden onderschrijven en die ook op een authentieke manier laten zien in hun gedrag, hebben vaker kinderen die intrinsieke aspiraties internaliseren en nastreven pp een autonoom gemotiveerde wijze.

Het framen van doelen

Doelen kunnen worden geframed in meer extrinsieke of meer intrinsieke termen. Het framen in intrinsieke termen produceert meer betrokkenheid en welbevinden.

Wanneer docenten of ouders doelen formuleren in termen van intrinsieke waarden en aspiraties, dan heeft dit positieve effecten op de betrokkenheid en het welbevinden van studenten en kinderen. Diverse experimenten die dit aantonen zijn bijvoorbeeld de experimenten in een Belgische opleidingsomgeving. In het experiment werd een intrinsieke rationale of een extrinsieke rationale voor het vak gegeven. Zie ook hier  en hier en hier

Omdat alle doelen in meerdere of mindere mate gelinkt kunnen zijn met psychologische behoeften bevrediging, is de relatie tussen persoonlijke doelen en elk type uitkomsten van welbevinden een functie van (of gemedieerd door) psychologische behoeften vervulling.

Bron: Self determination theory: basic psychological needs in motivation, development and wellness

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.