Ongelovige en verontwaardigde reactie op de groeimindset

bezemHoewel een geïnteresseerde en positief onderzoekende reactie de reactie is die ik het meest tegenkom als mensen voor het eerst over de groeimindset horen, kom ik soms ook twee andere soorten reacties tegen: ongelovig of verontwaardigd. Van tafel vegend. Het ongelovige klinkt dan bijvoorbeeld zo:”Ja, alsof het veranderen van de mindset van VMBO leerlingen opeens VWO-ers zou kunnen maken!”. Het verontwaardigde klinkt bijvoorbeeld zo:”Belachelijk die groeimindset! In ons gezin hebben wij ons erbij neergelegd dat onze jongste zoon niet kan leren en wij zeggen ook gewoon tegen hem dat hij zijn lage IQ het beste maar kan accepteren!” Click here to read more »

Kleine sociaal-psychologische interventies: hoe werken ze?

yeager_2010_med1-260x260Hier kun je enkele voorbeelden lezen van kleine sociaal-psychologische interventies met verbluffende lange termijn effecten.
Yeager en Walton waarschuwen ervoor dat kleine interventies die in een bepaalde context verbluffende lange termijn effecten hebben laten zien, niet zomaar worden gekopieerd op grote schaal in totaal andere contexten. Ze waarschuwen er ook voor deze kleine interventies met grote effecten niet terzijde te schuiven als ongeloofwaardig. Ze geven allereerst een verklaring voor het gevoel van onbegrip dat we kunnen hebben als we horen over kleine interventies die zulke grote en lange termijn effecten hebben. Het is lastig te begrijpen omdat we de niet direct kunnen zien hoe negatieve stereotypering en overtuigingen over de ontwikkelbaarheid van intelligentie studenten beïnvloeden en dwars kunnen zitten. Ten tweede zijn de interventies zo klein terwijl de problemen vaak zo groot zijn. Een groot probleem als ongelijkheid en slechte schoolprestaties van minderheidsgroepen vraagt toch om grootschalige interventies? Ten derde komt het ons vreemd over dat 1 keertje een interventie in een bepaalde richting alle andere boodschappen die studenten krijgen en die in een andere richting wijzen zou overvleugelen in effect. Hoe is het zo dat als je 1 keer schrijft over hoe je thuis hoort op de universiteit, dat dat dan opweegt tegen al die ervaringen die je opdoet waarbij je juist twijfelt over of je wel slim genoeg bent? Tenslotte is het ook moeilijk te begrijpen dat een kleine interventie nog jaren later een effect zou hebben.
Click here to read more »

Kleine interventies met lange termijn effecten

shapeimage_2Er zijn verbluffende resultaten bereikt met superkleine interventies. Een voorbeeld?
Blackwell, Trzesniewski en Dweck deden een kleine groeimindsetinterventie op een stedelijke school. Het was een school met veel kinderen uit gezinnen behorende tot een minderheidsgroepering met een laag inkomen. Het waren zwarte kinderen, Latino’s en Latijns-Amerikaanse kinderen van ongeveer 12 jaar oud. De kinderen werden verdeeld over twee groepen. De ene groep kreeg gedurende 8 weken een sessie per week in studievaardigheden. De andere groep kreeg gedurende 8 weken een sessie per week studievaardigheden plus les over hoe het brein werkt als een spier die sterker wordt wanneer de persoon zich inspant om moeilijke dingen te leren (groeimindsetinterventie). Gewoonlijk dalen de cijfers voor wiskunde bij kinderen die in deze klas zitten. Wiskunde wordt moeilijker en daardoor is vaak een daling van de cijfers te zien. Maar aan het einde van het academisch jaar liet de groep kinderen die de groeimindsetinterventie had gehad een omgekeerd resultaat zien: hun cijfers voor wiskunde waren significant gestegen, terwijl dit niet het geval was in de controlegroep.
Nog een voorbeeld? Click here to read more »

Voorkeur voor de geluksvogelgroep

IMG_3004Als iemand iets slechts doet vinden we die persoon waarschijnlijk minder aardig dan wanneer iemand iets goeds doet. Maar wat als iemand iets slechts overkomt of iets goeds overkomt? Vinden we de persoon die geluk had ook aardiger dan de persoon die pech had? Deze vragen onderzochten Olson et al bij jonge kinderen (circa 6 jaar oud). De kinderen kregen vier scenario’s voorgelegd. In twee scenario’s was sprake van intentioneel gedrag van een ander kind. Het kind hielp een docent (positief gedrag) of het kind loog tegen zijn moeder (negatief gedrag). In twee andere scenario’s was sprake van iets dat het kind overkwam. Het kind vond geld op straat (geluk) of het de sportwedstrijd van het kind viel in het water vanwege regen (pech). De kinderen werd gevraagd hoe aardig ze de vier kinderen in de vier verschillende scenario’s vonden. Niet verrassend vonden de kinderen het kind dat de docent hielp aardiger dan het kind dat loog tegen zijn moeder. Maar dezelfde voorkeur hadden de kinderen voor het kind dat geluk had ten opzichte van het kind dat pech had. De kinderen vonden het kind dat intentioneel slecht gedrag vertoonde wel minder aardig dan het kind dat pech had, maar bij het kind dat intentioneel goed gedrag vertoonde of geluk had was er slechts een marginaal verschil in hoeveel aardiger de kinderen hem vonden.
Click here to read more »

Impliciete theorieën over de veranderbaarheid van karaktereigenschappen

dief_indexHeeft Klazien een brood gestolen omdat ze een dief is en een oneerlijk persoon is of heeft ze een brood gestolen omdat ze honger had? Mensen zijn geneigd om verklaringen te proberen te vinden voor iemands gedrag. Bij de eerste verklaring heeft Klazien een brood gestolen omdat ze zo’n type is, bij de tweede verklaring heeft ze een brood gestolen vanwege haar situatie (honger). De eerste verklaring getuigt van een statische mindset en de tweede van een groeimindset. Een statische mindset ten aanzien van menselijk gedrag wordt gekenmerkt door de overtuiging dat persoonlijkheid een statisch geven is. Mensen die op die manier denken over persoonlijkheid geven een zwaar gewicht aan informatie over de persoonlijkheid en karaktereigenschappen bij het begrijpen en voorspellen van gedrag van die persoon. Mensen die ervan uitgaan dat persoonlijkheid ontwikkelbaar is hechten minder belang aan informatie over de karaktereigenschappen. Wat zijn de verschillen tussen een statische mindset ten aanzien van gedrag van mensen en een groeimindset daaromtrent? Click here to read more »

Progressiegerichte acquisitie?

hengelDe progressiegerichte aanpak is een cliëntgeleide aanpak, dat wil zeggen dat de cliënt aan het roer staat van de inhoud en het tempo van de interactie. Als een cliënt een progressiegerichte coach of trainer vraagt om een intakegesprek, ook dan is de interactie cliëntgeleid. Dat betekent dat de professional aansluit bij de vraag van de cliënt zonder deze groter of uitgebreider of problematischer te maken dan de cliënt zijn vraag formuleert. Een aantal sleutelinterventies in progressiegerichte intakegesprekken is deze: Click here to read more »

Het onderscheid tussen begrijpen en hetzelfde vinden

handenBegrijpen is volgens het woordenboek met het verstand of met het gevoel bevatten wat iemand bedoelt of beroert. Andere woorden zijn aanvoelen, beseffen, bevatten, doorhebben, doorzien, inzien, opvatten, snappen, vatten, verstaan.
Stel je bent progressiegerichte coach en je cliënt zegt:”Ik vind het zo moeilijk om me aan mijn planning te houden”. En stel dat jij zelf ook vaak moeite hebt je aan je planning te houden. In dat geval begrijp je wat je cliënt zegt, omdat je hetzelfde ervaart rondom planning. Als je in reactie op je cliënt zegt:”Ah, ik begrijp het…”, dan betekent je begrijpen het kunnen invoelen van je cliënt. Maar stel nu dat jij zelf juist helemaal geen problemen hebt met het aan je planning houden. En je zegt toch:”Ah, ik begrijp het….”. Is dat dan eerlijk? Begrijp je het wel echt als je het niet zelf ook zo ervaart?
Click here to read more »

Hoe kun je je eigen empathische vermogens versterken?

empathie-enfantIn deze post beschrijf ik het effect dat je mindset ten aanzien van empathie heeft op je bereidheid om inspanning te leveren om de ander te begrijpen. Stel dat je je eigen empathische vermogen wil versterken, wat kun je dan doen? Op basis van het onderzoek is het belangrijk te starten met je mindset: ga er van uit dat je beter kunt worden in empathie en dat je daarvoor inspannen een voorwaarde is om beter te worden. Realiseer je dat die inspanning vooral loont wanneer er situaties zijn waarin je absoluut geen automatische empathie voor iemand hebt. Dus in situaties waarin het het meest moeilijk is om empathie te voelen, is je mindset des te bepalender voor je reacties.
Concrete dingen die je kunt doen om je eigen empathie te versterken zijn: Luister naar het verhaal van de ander. Stel vragen om de ander te begrijpen. Vraag hoe de ander zich voelt. Besteed meer tijd met de persoon. Luister met de bedoeling om het perspectief en de emoties te begrijpen. Stel je bewust voor dat je in de schoenen van de ander staat.

Is empathie ontwikkelbaar?

tranenEen maatschappij die gekenmerkt wordt door empathie komt het welbevinden van de individuen in die maatschappij ten goede. Empathie blijkt met diverse positieve uitkomsten samen te hangen, zoals het goed oplossen van conflicten in sociale groepen, onbevooroordeeldheid ten aanzien van andere rassen, altruïstisch gedrag en minder a-sociaal gedrag.
In zelfrapportages geven mensen aan dat hun empathische vermogens de afgelopen decennia zijn afgenomen. Het delen van emoties en het reageren op emoties van anderen doen mensen minder, zo zeggen ze zelf. En het begrijpen van het perspectief en de emoties van anderen vinden we ook lastiger, zo blijkt uit de zelfrapportages.
Maar is empathisch vermogen dan niet aangeboren? Is een empathische reactie dan geen automatische reactie van mensen? Door onze spiegelneuronen voelen we toch snel wat de ander voelt en emoties zijn toch besmettelijk? Dat is inderdaad waar. Maar het blijkt dat onze empathische reacties niet alleen maar reflexmatig optreden. Er is ook een kant aan empathie die context-afhankelijk is. Als iemand met wie wij ons niet identificeren iets naars overkomt, voelen we bijvoorbeeld veel minder met die persoon mee. En als empathisch reageren op iemand ons zelf oncomfortabel maakt, dan zijn we ook minder empathisch naar die persoon toe. Dus, mensen kiezen: ze distantiëren zich van de situatie of ze breiden hun empathische reactie uit.
Deze inspanning wordt belangrijk in situaties waarin de automatische empathische respons niet of slechts beperkt optreedt. Dus bij conflicten, in de politiek, in situaties waarin anderen hulp nodig hebben. Maar wanneer kiezen mensen ervoor om empathische inspanning op te leveren en wanneer niet? Zou het zo zijn dat de mindset die mensen hebben ten aanzien van de ontwikkelbaarheid van empathie een rol speelt?
Een statische mindset ten aanzien van empathie is de overtuiging dat empathie niet ontwikkelbaar is. Je hebt het of je hebt het niet. Een groeimindset ten aanzien van empathie is de overtuiging dat iedereen empathischer kan worden en dat je soms moeten inspannen om er beter in te worden geen teken is van weinig aanleg maar een voorwaarde is om te verbeteren.
De onderzoekers Schumann, Kazi en Dweck hebben in zeven studies diverse hypothesen onderzocht over de gevolgen van een statische of groeimindset ten aanzien van empathie.
Uit studie 1 bleek dat mensen die geloven dat empathie ontwikkelbaar is, in uitdagende situaties (dus situaties waarin ze helemaal geen reflexmatige empathie voelden voor de ander en het oneens waren met de ander) meer inspanning leverden om de ander te begrijpen en te voelen wat de ander voelde. In minder uitdagende situaties was de correlatie tussen de mindset ten aanzien van empathie en de bereidheid om inspanning te leveren om de ander te begrijpen veel minder sterk. Het lijkt er dus op dat wanneer empathie het meest moeilijk op te brengen is, de mindset ten aanzien van de ontwikkelbaarheid van empathie bepalend is voor de inspanning die men al dan niet wil leveren om de ander te begrijpen.
Uit studie 2 bleek dat mensen die geloven dat empathie ontwikkelbaar is in situaties waarin een voor henzelf belangrijke uitkomst op het spel stond, meer inspanning leverden om de ander te begrijpen, de mening van de ander te respecteren en te luisteren naar de ander. Het ging hier om politieke en sociale issues, die een effect hadden voor de persoon zelf, zoals het homohuwelijk.
Uit studie 3 bleek dat als het gaat om politieke en sociale issues die niet belangrijk zijn voor de persoon zelf, de mindset ten aanzien van de ontwikkelbaarheid van empathie niet correleerde met de bereidheid om inspanning te leveren om empathischer te zijn. Uit studie 4 bleek dat de correlatie tussen de mindset en de bereidheid om inspanning te leveren een causale relatie betrof. Dus: de mindset ten aanzien van de ontwikkelbaarheid van empathie bepaalt de bereidheid om al dan niet inspanning te leveren om de ander te begrijpen en te voelen wat de ander voelt.
Studie 5 was erop gericht om te onderzoeken of de mindset omtrent empathie een effect had op de bereidheid om te luisteren naar het emotionele verhaal van iemand van een ander ras. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Mensen met een lichte huidskleur die geloven dat empathie ontwikkelbaar is, luisteren langer naar een emotioneel verhaal van mensen met een donkere huidskleur. Dit is belangrijk omdat het blijkt dat rechters met een lichte huidskleur minder empatisch zijn en zwaardere straffen toekennen aan mensen met een donkere huidskleur.
Studie 6 bekeek of de mindset ook een effect had in contexten waarin men de ander al dan niet kon helpen. Het bleek dat mensen met een groeimindset ten aanzien van empathie bereid waren om meer uren te besteden aan het helpen van kankerpatiënten en om zich te verdiepen in de persoonlijke verhalen van kankerpatiënten. Mensen met een statische mindset ten aanzien van empathie bleken net zo gemotiveerd om empathisch te reageren op kankerpatiënten, maar bleken zich toch minder in te spannen om zich empathisch te gedragen.
De laatste studie bekeek of de mindset ook een effect had op het willen verbeteren van de eigen empathie. Mensen kregen eerst feedback dat zij laag scoorden of juist hoog scoorden op empathie en ze kregen ook ofwel de informatie dat empathie ontwikkelbaar is of juist niet ontwikkelbaar was. Het bleek dat mensen die geloofden dat empathie ontwikkelbaar is, bereid waren om zichzelf te stretchen om hun empathische vermogens te verbeteren, ook nadat zij negatieve feedback hadden gekregen over hun huidige empathische vermogens.
Empathische inspanning is de bereidheid om te investeren in empathische gevoelens. En met die definitie wordt empathie ook een vaardigheid waar je beter in kunt worden, in plaats van iets statisch.

Zien en fantaseren gaat gepaard met dezelfde breinactiviteit

bp_kVisuele aandacht helpt ons om voor ons gedrag relevante informatie te selecteren, op basis van de plek, kenmerken of onderdelen van de visuele informatie die we opnemen. Die selectieve aandacht is niet beperkt tot fysiek daadwerkelijk aanwezige visuele informatie, maar geldt ook voor interne representaties van de visuele informatie die wordt vastgehouden in ons werkgeheugen en is bedoeld om hogere cognitieve processen uit te voeren. Er is alleen weinig bekend over of de aandacht die we geven aan visuele informatie in ons werkgeheugen op dezelfde manier werkt in ons brein als de visuele informatie die we krijgen door te kijken naar fysieke objecten. De onderzoekers bestudeerden daarom of ze normale effecten die optreden wanneer we objecten fysiek waarnemen, ook optreden wanneer we die objecten alleen in onze fantasie oproepen en het op die manier in ons werkgeheugen aanwezig is. Benjamin Peters et al onderzochten deze vraag.
Het bleek dat, volledig in overeenstemming met de bekende effecten van visuele perceptie, dezelfde sleutel gedrags- en neurologische kenmerken van object-gebaseerde aandacht te zien waren in het werkgeheugen bij fantaseren als bij daadwerkelijk zien. Bij visuele perceptie is het bijvoorbeeld zo dat onze reactietijd korter is als we 1 object op verschillende locaties zien, dan wanneer we 2 verschillende objecten op verschillende locaties zien. Het bleek dat hetzelfde opging bij fantaseren. De reactietijd was korter als mensen in gedachten hun aandacht moesten verleggen van de positie van 1 en hetzelfde object op verschillende plekken dan wanneer ze in hun aandacht van het ene object op de ene plek naar het andere object op een andere plek moesten gaan. Ook bleek dat als men een object op een bepaalde locatie in gedachten nam (in het werkgeheugen), dat dan in ons brein ook de andere delen actief werden die te maken hadden met andere posities van hetzelfde object. Selectieve aandacht in ons werkgeheugen activeert dus het hele object, net zoals bij visuele perceptie.
Zien en fantaseren gaat gepaard met dezelfde breinactiviteit.