Skip to content

In februari 2016 komt mijn nieuwe boek uit: HERSEN VITAMINEN, meer succes met de groeimindset mix.

Het wordt een eenvoudig leesbaar boek, waarin de lezer in een vijftal korte hoofdstukken de ingrediënten van de groeimindset mix leert kennen. De mix werkt het beste als er van alle ingrediënten iets inzit. Ingrediënt 1 is het herkennen van je mindset. Want als je weet naar welke mindset je op een bepaald moment neigt, dan kun je kiezen of dat ook de mindset is die je wilt hebben. Het tweede ingrediënt is het kiezen van een doel waarmee je groeit. Sommige soorten doelen passen namelijk heel goed bij een groeimindset, terwijl je met andere soorten doelen juist grote kans loopt te stagneren. Het derde ingrediënt is het laten groeien van je hersenen. Dat hoofdstuk legt op een simpele manier uit hoe breinplasticiteit werkt en wat je zelf kunt doen om je brein beter te laten werken. Het vierde ingrediënt is oefenen zodat je groeit. Sommige manieren van oefenen kun je oeverloos doen, zonder dat je ook maar iets beter wordt. Andere manieren van oefenen leiden heel snel tot verbetering. Het laatste ingrediënt in de groeimindset mix is progressiegericht leren werken. Via een paar praktische tips bereik je je doelen op een leuke en goede manier. Het boek sluit af met handvatten om een groeimindset cultuur te bouwen in je organisatie. Per hoofdstuk krijg je een eenvoudige uitleg van het ingrediënt in de mix en kun je praktisch aan de slag met het gebruiken van dat ingrediënt in je eigen leven.

Het is erg leuk en interessant om het boekje te schrijven en ik hoop dat het te zijner tijd ook leuk en interessant zal zijn om te lezen! Het boek wordt uitgegeven door Anderz.

De twee meest recente andere boeken die ik schreef zijn: Progressie door zelfcoaching en Ontwikkel je Mindset

feedback1Een studentenbegeleider voert gesprekken met studenten die vaak absent zijn. Hij moet hen duidelijk maken dat er in Nederland leerplicht bestaat en dat ze verplicht zijn om naar school te komen. Maar de studenten hebben er geen zin in. Ze zijn bezig met allerlei andere dingen in hun leven, van flinke problemen tot leuke handeltjes drijven. Voor deze studenten kan het toch nooit een autonome keuze worden om naar school te komen, zo denkt de studentenbegeleider. Ze willen toch immers niet naar school komen? Dus is het enige dat de studentenbegeleider nog rest: dreigen met consequenties (als je niet naar school komt stuur ik de leerplicht ambtenaar op je af) of eromheen draaien en proberen de studenten ertoe te brengen dat ze zelf een probleem beginnen te zien door niet naar school te komen (Hoe gaat het ermee? Gaat het allemaal wel goed met je? Zou je het zelf ook niet fijn vinden als je je diploma zou halen?).

Wanneer je deze twee strategieën kiest, wordt de student hoogstwaarschijnlijk niet autonoom gemotiveerd om naar school te komen. Als hij al weer naar school gaat komen, dan is hij gecontroleerd gemotiveerd: hij doet het om een straf te ontlopen of een beloning te krijgen. Gecontroleerde gemotiveerd zijn gaat samen met lage kwaliteit van je werk, weinig betrokkenheid, negatieve gevoelens en het gewenste gedrag stopt zodra de druk wegvalt.

Autonoom gemotiveerd naar school komen ziet er anders uit.

Je kunt volledig autonoom functioneren wanneer je precies doet wat iemand anders van je verwacht. Je kunt onder diezelfde omstandigheden ook volledig gecontroleerd zijn in je functioneren. Autonomie is namelijk niet hetzelfde als alleen maar doen waar je zelf zin in hebt. Autonomie betekent doen waar je helemaal zelf achter staat. En dat is een fundamenteel verschil. Iedereen functioneert in een omgeving waarin er krachten op hen afkomen die proberen hun gedrag te beïnvloeden. Autonomie gaat om de mate waarin mensen authentiek en oprecht instemmen met die krachten die hun gedrag beïnvloeden. De kernvraag is of ze zich slachtoffer voelen van die krachten of dat ze de krachten ervaren als waardevol, behulpzaam en congruent met wat ze zelf belangrijk vinden. Dat leidt tot een functioneel verschil in hun ervaring van de situatie, de kwaliteit van hun acties en de resultaten die ze bereiken.

Een student die autonoom gemotiveerd naar school komt is een student die school wellicht niet interessant of leuk vindt, maar wel belangrijk. De student staat er helemaal achter om naar school te komen. Hij heeft de redenen waarom het belangrijk is naar school te komen geïnternaliseerd. Het zijn waarden geworden die hij ervaart als onderdeel van zijn zelf. Internalisatie van normen en waarden is een proces dat plaatsvindt wanneer:
1. de drie psychologische basisbehoeften van mensen zijn vervuld
2. mensen begrijpen wat er van hen verwacht wordt en waartoe dit van hen verwacht wordt
3. mensen zich serieus genomen voelen en erkend voelen in hun perspectief
4. mensen niet autoritair tegemoet getreden worden
5. mensen invloed hebben op het doel en/of op de manier waarop het doel bereikt moet worden
6. mensen zoveel mogelijk eigen keuzemogelijkheden hebben

Werkt dat echt wel bij probleemjongeren? Die luisteren toch alleen naar verbaal geweld en autoritair gedrag? Anders nemen ze toch een loopje met je en lachen ze je uit omdat je een doetje bent? Het tegendeel blijkt het geval te zijn. Als je je autoritair gedraagt, krijgen probleemjongeren juist minder respect in plaats van meer. Ze zien je als zwakker in plaats van sterker. Hier kun je een voorbeeld lezen van het type onderzoek waaruit dat blijkt.

1

calm_after_the_storm_sun_by_carlibuxAls mensen ervaren dat ze betekenisvol leven, dan hebben ze de perceptie dat hun zelf congruent is met hun situatie en dat ze op een coherente en integere wijze functioneren. Anders gezegd: betekenisvol leven betekent voor mensen dat ze authentiek zijn. Als je de perceptie hebt dat je authentiek bent, dan heb je bepaalde waarden, emoties, initiatieven en regulaties geïnternaliseerd: je staat helemaal achter wat je doet.

Als je aan mensen vraagt naar voorbeelden waarin ze ervoeren dat ze betekenisvol leefden en authentiek waren, dan komen ze met dit soort voorbeelden:

a) voorbeelden waarin mensen een gevoel van verbondenheid met mensen van wie ze houden ervaren, verbondenheid met voor hen relevante groepen mensen, verbondenheid met de cultuur waarin ze leven en verbondenheid met de mensheid in het algemeen
b) voorbeelden waarin mensen het gevoel hebben invloed te hebben op hoe hun leven verloopt en het gevoel hebben dat ze in staat zijn doelgerichte acties te ondernemen
c) voorbeelden waarin mensen een gevoel van persoonlijke agency in hun relaties met anderen hebben en een gevoel hebben dat ze doelen aan het bereiken bent die in lijn zijn met hun persoonlijke waarden

Kortom; als mensen de perceptie hebben dat hun leven betekenisvol is, dan draaien hun voorbeelden van betekenisvolheid om de drie basisbehoeften: verbondenheid, competentie en autonomie (of vrijheid).

Meaning, of betekenis geven, is dus geen aparte basisbehoefte in de zelfdeterminatietheorie. In plaats daarvan is de betekenisvolheid van het menselijk bestaan in elk van de drie basisbehoeften terug te vinden.

leeuwCarla werkt in een team waarin ze zich helemaal niet prettig voelt. Haar collega's lopen voortdurend op elkaar te vitten en over elkaar te roddelen. Carla vraagt zich af wat ze allemaal over haar zeggen, achter haar rug om. Ze merkt dat ze steeds gevoeliger wordt voor de negatieve oordelen van haar collega's. Kritische opmerkingen zijn als kleine gifpijltjes waartegen ze zich voortdurend aan het wapenen is. Carla voelt zich psychologisch onveilig en onzeker. Is dat dan echt geen basisbehoefte van mensen? Een basisbehoefte die vervuld moet worden willen mensen ontspannen kunnen functioneren?

Nee, zegt de zelfdeterminatietheorie. Die theorie stelt dat er drie universele psychologische basisbehoeften zijn: de behoefte aan verbondenheid, autonomie en competentie. Maar hoe zit het dan met psychologische veiligheid en zekerheid? Dat is toch ook een psychologische behoefte die alle mensen delen? Deci en Ryan zeggen dit erover. Allereerst is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen het fysieke en het psychologische niveau. Fysieke veiligheid en zekerheid zijn essentieel om te overleven, net zoals voedsel en zuurstof. Maar de psychologische basisbehoeften gaan niet over het overleven van ons lichaam maar van ons zelf. Het kan een hele sterke motivatie zijn voor mensen om zichzelf psychologisch veilig en zeker te voelen. Maar die motivatie komt om de hoek kijken wanneer er juist onzekerheid bestaat over de vervulling van onze drie basisbehoeften: autonomie, verbondenheid en competentie. Als onze autonomie, verbondenheid en competentie onder druk staan, dan voelen we ons onveilig en onzeker en dat is een sterke motivator om onze psychologische veiligheid te proberen te herstellen. Als we dingen doen om onze psychologische veiligheid en zekerheid te herstellen, dan zit er iets fout in onze context en staat de vervulling van onze drie basisbehoeften onder druk.

De zelfdeterminatie theorie maakt onderscheid tussen psychologische processen en structuren die proactief zijn versus die reactief zijn. Daarom zijn de drie psychologische basisbehoeften kwalitatief verschillend van de defensieve motieven en de motieven om een tekort op te heffen. Als de drie basisbehoeften vervuld zijn dan is er sprake van welbevinden en groei. Proactieve psychologische processen. De defensieve motieven en motieven om een tekort op te heffen gaan spelen wanneer de drie basisbehoeften onvoldoende vervuld worden. Reactieve psychologische processen.

Psychologische veiligheid en zekerheid is geen basisbehoefte, maar een reactie op een tekort dat we ervaren en waarvoor we gaan proberen te compenseren. Carla reageert op haar slechte werkomstandigheden door zichzelf te gaan beschermen en verdedigen. Haar psychologische basisbehoeften zijn onvervuld. Carla voelt een tekort aan verbondenheid met haar collega's. Ze voelt zich onvoldoende competent in haar werksituatie en haar autonome functioneren staat onder druk.

Psychologische zekerheid en veiligheid zijn dus erg belangrijk en kunnen worden gecreëerd in omgevingen waarin mensen zich verbonden kunnen voelen met anderen, zich competent kunnen voelen en zich autonoom kunnen voelen.

3

verbondenheid_2_Heb je misschien een tip hoe ik teamleden naar elkaar kan laten luisteren? Dat vroeg een deelnemer in onze training laatst. Haar ervaring is dat teamleden niet ingaan op elkaars inbreng, maar zodra iemand is uitgepraat met hun eigen inbreng komen, waardoor er een enkele verdieping ontstaat. Als iedereen hetzelfde denkt over een onderwerp, dan kom je in elk geval nog tot concrete ideeën voor het vervolg. Maar als mensen verschillend denken over een onderwerp, dan verzandt het gesprek al snel in het droppen van stellingen. Het lijkt wel alsof men denkt dat het onderzoeken van het perspectief van de ander direct ten koste gaat van het kunnen inbrengen van je eigen perspectief. Denken vanuit “of-of”. Of jij hebt gelijk, of ik. Of jij wint, of ik. Of jouw perspectief is goed, of dat van mij. We moeten kiezen wiens perspectief het beste is. Het is een wedstrijd tussen perspectieven. Er is schaarste ten aanzien van wie er gelijk kan hebben.

Als je de situatie zo framed, dan word je onrustig als iemand anders zijn perspectief naar voren brengt. Dan zit je klaar om in te springen, het woord over te nemen en je eigen perspectief krachtig voor het voetlicht te brengen. Je doel wordt om de ander te overtuigen, overrulen, ompraten, imponeren. Of je wordt stil, je trekt je terug, je haakt af. Je doel wordt om de interactie te overleven.

Je kunt het idee loslaten dat het ene perspectief ten koste gaat van het andere perspectief. Dat het ene perspectief afbreuk doet aan het andere. Dat het ene moet winnen van het andere. Als je dat doet, blijft je eigen perspectief rustig overeind staan, ongeacht wat het andere perspectief is. En het andere perspectief blijft rustig overeind staan, ongeacht jouw eigen perspectief.

Als je de ogen van de ander zou hebben, zou je hetzelfde zien als de ander. Als die ander jouw ogen had, zag hij wat jij ziet. Het onderzoeken van het perspectief van de ander laat jouw perspectief met rust. Het onderzoeken van jouw perspectief laat het perspectief van de ander met rust.

Perspectieven die onderzocht zijn en bestaansrecht hebben, onafhankelijk van elkaar, leiden tot inzicht bij de betrokkenen. Vanuit rust en inzicht wordt het eenvoudiger om tot werkbare ideeën te komen. Want in plaats van alle energie te moeten besteden aan het vechten om gehoord te worden, kun je samen de energie steken in het bedenken van goede creatieve ideeën. Het onderzoeken van de perspectieven helpt juist om samen verder te komen, in plaats van dat het afbreuk doet aan de perspectieven.

Zou het zo kunnen zijn dat het bestaansrecht geven aan het perspectief van de ander één van de moeilijkste dingen is in communicatie? Het zou zo maar kunnen, als ik afga op wat mensen doen in interacties en waarmee ze worstelen in onze trainingen. Maar bestaansrecht geven aan het perspectief van de ander is goed te leren. Zowel qua techniek als qua overtuigingen.

De technische kant is bijvoorbeeld het samenvatten van het perspectief van de ander in de sleutelwoorden van de ander. De technische kant is ook dat je zo goed in contact bent met je eigen oordelen, associaties en emoties dat je er bewust voor kunt kiezen die geen rol te laten spelen in de interactie. Het betekent ook dusdanig stevig in je schoenen staan, dat je zowel bereid bent te luisteren naar de ander, als aan je eigen perspectief vast te houden, als je eigen perspectief bij te stellen. Het stellen van vragen die de ander uitnodigen om meer te vertellen. Zinnen gebruiken als:’Ik wil je graag goed begrijpen, kun je nog eens wat meer vertellen over hoe jij de situatie ziet?’ Je wordt even helemaal en volop de ander, terwijl je stevig jezelf blijft. Dat is te zien doordat je belangstellend kijkt, omdat je belangstellend bent. Dat is te zien doordat je intonatie vriendelijk is, omdat je je vriendelijk voelt. Dat is te zien doordat je goed nadenkt over wat de ander zegt, omdat je nauwgezet wilt begrijpen wat de ander bedoelt.

Ook je overtuigingen zijn ontwikkelbaar. Wat geloof je over wat werkt in interacties tussen mensen? Dat mensen onder druk gezet moeten worden omdat ze anders niet in beweging gaan komen? Of juist dat mensen autonoom gemotiveerd raken als ze merken dat hun perspectief ertoe doet en ze zich verbonden kunnen voelen met anderen? Wat geloof je over of en hoe mensen kunnen veranderen? Dat je een ander niet kunt veranderen? Of dat je een ander juist niet niet kunt veranderen? Wat geloof je over de mogelijkheid om in elke situatie een beetje progressie te kunnen boeken? Dat je vast zit en het de verkeerde kant op gaat? Of juist dat er altijd mogelijkheden zijn om de dingen een beetje beter te maken?

Net zoals ieders vingerafdruk uniek is, is ieders brein uniek. Het kan dan ook boeiend zijn om het perspectief van iemand anders te onderzoeken. Verrassend. Je komt iets te weten wat je niet wist. En voor die ander is een dergelijke ervaring waarschijnlijk ook uniek. Iemand die oordeelloos je gedachten onderzoekt. In welke interactie komt dat nou voor, dat jouw perspectief er zo helemaal mag zijn? Zelden, vermoed ik.

Laatst zei een coachingscliënt in antwoord op de nuttigheidsvraag:’Ja, het is nuttig, want mijn gedachten krijgen door dit gesprek bestaansrecht’.

Als perspectieven er niet mogen zijn, dan klampen mensen zich nog steviger vast aan hun perspectief. Dat stagneert. Als perspectieven bestaansrecht krijgen, dan kunnen ze zich ontwikkelen. Progressie.

NathalieDehorterBreinontwikkeling begint voor de baby allemaal met de geboorte van de breincellen. Dat proces heet neurogenese. Het menselijk brein heeft uiteindelijk ongeveer 86 miljard breincellen. Na de geboorte van de neuron staat zijn functie nog niet vast. Elke neuron moet een bepaalde rol gaan spelen in ons brein. Om die bepaalde functie te gaan krijgen moet de neuron eerst op pad gaan naar zijn plekje in de cortex en vervolgens moet hij zich gaan differentiëren tot een neuron met een specifieke functie. De ene neuron is bijvoorbeeld geschikt om visuele informatie te verwerken en de andere neuron is geschikt om motorische informatie te verwerken. Deze celdifferentiatie is klaar als de baby geboren wordt. Maar is dat wel zo?

Onderzoekers hebben ontdekt dat het helemaal niet zo is dat functie van neurons definitief vastligt als dit proces van celdifferentiatie eenmaal is volbracht. De onderzoekers van King’s College hebben ontdekt dat er specifieke interneurons zijn die helemaal context-afhankelijk reageren. Dus in plaats van de klassieke opvatting dat de breincellen via een gespecificeerd proces uiteindelijk een stabiele functie vervullen in het brein, vonden de onderzoekers iets anders. Zij ontdekten dat bepaalde interneuronen niet zozeer zouden moeten worden omschreven in termen van hun vastliggende functie, maar veel beter kunnen worden omschreven als een continuüm. Afhankelijk van een molecuul (Er81) nemen deze breincellen een bepaalde functie aan. De interneuronen zijn als het ware een continuüm met kenmerken die afstelbaar zijn en zich volledig aanpassen aan de omgeving (het gaat om de fast-spiking basket cellen in laag II-III). Uit het onderzoek bleek dus dat er een molecuul is dat ervoor zorgt dat de specificaties van bepaalde interneuronen veranderen. Dat molecuul (Er81) zorgt voor de verandering van de functie van die interneuronen.

De corticale circuits reageren op hun beurt weer op de veranderingen van deze interneuronen. Dat betekent veranderingen voor de breindelen die gerelateerd zijn aan onze cognitie, geheugen en taal. Deze ontdekking duidt op een voor ons nog totaal onbekend mechanisme van breinplasticiteit. Het bevestigt het idee dat de functies van de interneuronen uiteindelijk helemaal afhankelijk is van de context.

Het onderzoek van Nathalie Dehorter et al is hier te vinden

3

IMG_2527Wil je eens ervaren wat een focus op progressie kan opleveren?

Praat de komende week dan eens 3 keer met iemand over de progressie die je hebt bereikt ten aanzien van iets dat belangrijk voor je is. Mensen richten gedurende de dag hun bewuste aandacht op één ding tegelijk. Het meest efficiënt is het om die bewuste aandacht te richten op wat er op hun to-do-lijstje staat of op welk probleem er opgelost moet worden.

Want als we ons richten op wat we moeten doen of op wat we moeten oplossen omdat er iets mis loopt, dan komen we vooruit waar vooruitgang nodig is. Deze focus brengt met zich mee dat we allerlei andere dingen niet meer bewust waarnemen. Bijvoorbeeld wat er goed werkt in wat we doen. Bijvoorbeeld wat er goed heeft gewerkt in wat we in het verleden hebben gedaan. Bijvoorbeeld wat we al hebben bereikt.

Door onze bewuste aandacht te richten op wat werkt, op wat we hebben bereikt en op goede ervaringen in het verleden, kijken we naar een ander deel van onze werkelijkheid. Dat heeft een direct effect op hoe we ons voelen. Denken aan wat goed werkt en aan wat we hebben bereikt geeft ons een positief gevoel. Positieve gevoelens openen ons en maken ons ontvankelijk voor anderen. Ook worden we creatiever wanneer we positieve gevoelens ervaren. Onze blik wordt verruimd. We gaan wat optimistischer denken. We voelen ons competenter en ervaren meer grip op onze werkelijkheid.

Door er met iemand anders over te praten ervaren we verbondenheid met die andere persoon, ondanks dat we die persoon misschien nog helemaal niet zo goed kennen. En zo worden in een gesprekje van tien minuten onze drie universele basisbehoeften vervuld; we krijgen de perceptie van autonomie, verbondenheid en competentie. Als we in een dergelijke state of mind terecht komen staan we een beetje meer open om nieuwe dingen te leren en te onderzoeken. Praten over je bereikte progressie stimuleert een groeimindset in ons.

Zo kun je in tien minuten tijd een groeimindset bij jezelf en de ander opwekken. Door te praten over je bereikte progressie, al is die nog zo klein, word je versterkt in je overtuiging dat progressie boeken mogelijk (en zelfs waarschijnlijk) is.

Training progressiegericht coachen

4

wolSoms denken mensen dat als ze een nieuwe vaardigheid leren, ze hun eigen draai eraan moeten geven. Want pas als je je eigen draai hebt gegeven is het authentiek wat je doet. Iemand leert een nieuw liedje te zingen en gaat direct proberen dat met zijn eigen stijl te zingen. Iemand leert een nieuwe communicatietechniek toe te passen en gaat direct proberen zijn eigen woordkeuze en intonatie erin te verwerken. Iemand leert een nieuw pianostuk te spelen en gaat direct proberen een interpretatie van de noten toe te voegen.

Vaak werkt dat niet zo goed. Doordat je direct je eigen draai geeft, ben je niet bezig iets nieuws te leren maar te doen wat je al kunt. Daardoor merk je niet hoe die nieuwe vaardigheid echt werkt. In plaats van jezelf te eisen dat je direct creatief bent als je een nieuwe vaardigheid leert kun je beter je eerst richten op het verkrijgen van een basisniveau in die vaardigheid. Dat basisniveau verkrijg je door nauwgezet te oefenen wat je krijgt aangereikt van een expert.

In het begin kost dat veel moeite en voelt het onnatuurlijk. Dat klopt ook, het is nog niet van jezelf. Maar hoe vaker je oefent hoe meer je lichaam het als het ware overneemt van je geest. Dat proces gaat zo:
1. Oefen zo vaak dat je de vaardigheid automatiseert. Als je hem hebt geautomatiseerd dan pas je de vaardigheid toe zonder dat je bewustzijn er aan te pas komt. Als je je rijbewijs hebt weet je hoe het is om zonder dat je bewustzijn eraan te pas komt auto te rijden.
2. Bouw laagjes op van geautomatiseerde vaardigheden. Dan kun je in de loop der tijd complexe taken uitvoeren zonder dat je erbij hoeft na te denken. Als je als baan hebt om mensen in nood telefonisch te hulp te staan, dan reguleer je automatisch je eigen emoties terwijl de persoon aan de lijn in paniek is en tegelijkertijd stel je de juiste vragen en geef je de juist instructies.
3. Automatiseer vervolgens niet alleen de basisvaardigheden, maar ook de meer complexe en subtiele vaardigheden die je wellicht veel minder vaak nodig hebt. Niet alleen simpele vaardigheden kun je automatiseren, ook hele complexe vaardigheden kun je goed automatiseren.

Heb je eenmaal simpele en complexe aspecten van de nieuwe vaardigheid geautomatiseerd, dan is het tijd voor creativiteit. En die komt dan ook vanzelf, juist omdat je niet meer zo hoeft na te denken bij wat je doet. Als je immers niet hoeft na te denken, dan komt er denkcapaciteit vrij. Creativiteit en je eigen draai geven komt nadat je goed bent geworden in de vaardigheid, niet ervoor.

latStel je voor, je bent een nieuwe vaardigheid aan het leren. Je hebt bijvoorbeeld zangles genomen, of je bent op drumles gegaan of je bent een nieuwe taal aan het leren of je bent natuurkunde gaan studeren. Wat het ook is, je staat aan het begin. Je hebt gekozen voor het leren van de vaardigheid uit interesse en je hebt nog geen overzicht over alles wat er komt kijken bij het leren van de nieuwe vaardigheid. Je overziet het domein nog niet. Waarschijnlijk kom je dan dit soort gevoelens, gedachten en keuzemomenten tegen:

- Betrokkenheid. Je hebt waarschijnlijk volop aandacht voor het leren van je nieuwe vaardigheid. Je focust op wat je docent je uitlegt en je bent heel alert nieuwe informatie aan het opnemen. Die focus is nuttig. Je hoort allerlei nieuwe dingen en een alert brein onthoudt nieuwe informatie beter.
- Positieve emoties. Als je start met het leren van een nieuwe vaardigheid heb je nog geen informatie over waar je nu al staat met betrekking tot die vaardigheid. Als je merkt dat je bepaalde aspecten van de vaardigheid al goed af gaan, dan geeft je dat positieve gevoelens. Die zijn nuttig, want ze moedigen je aan om door te gaan met leren. Je perceptie van competentie neemt erdoor toe. Je zelfvertrouwen groeit een beetje en je begint plezier te krijgen in je nieuwe vaardigheid. Positieve emoties ontstaan ook wanneer je sneller progressie boekt dan je van jezelf verwacht of vraagt.
- Frustratie en teleurstelling. Als je start met het leren van de nieuwe vaardigheid ga je je al snel realiseren wat je allemaal nog niet kunt. Waar je er eerst geen idee had wat de vaardigheid allemaal omhelsde, begin je nu te begrijpen dat het knap moeilijk is om de nieuwe vaardigheid te leren. Dat de complexiteit veel groter is dan je wist. Die frustratie is nuttig. Hij ontstaat vooral als je minder snel leert dan je van jezelf had verwacht. In dat geval stimuleert je frustratie je om nog scherper aandacht te besteden aan je leerproces. Je onderzoekt je fouten en probeert ze te verbeteren.
- Oefenen en doorzetten. Zodra je de eerste les hebt gehad, kun je gericht de basis van je nieuwe vaardigheid gaan oefenen. Als je de perceptie hebt dat je nieuwe vaardigheid te doen is voor je, dan maak je de keuze om die inspanning inderdaad te gaan leveren en te gaan oefenen. Dat is nuttig, want enkel door gerichte oefening worden mensen beter.

Maar het kan ook zijn dat er een ander proces ontstaat. Als mensen het gevoel hebben dat de nieuwe vaardigheid onbereikbaar voor ze is, dan komen ze waarschijnlijk hele andere gevoelens, gedachten en keuzemomenten tegen. Er zijn geen positieve emoties, want de prestatie die de persoon neerzet is niet genoeg voor hem om blij mee te kunnen zijn. Er ontstaan negatieve emoties, maar dan niet zozeer frustratie maar eerder hulpeloosheid en wanhoop. Frustratie geeft energie voor verbetering, maar hulpeloosheid en wanhoop doen dat niet. En dergelijke negatieve emoties gaan niet samen met betrokkenheid maar met disengagement. Mensen krijgen in die situatie de neiging om zich te gaan distantiëren en geven op. Dat kan leiden tot de keuze om niet door te gaan met het leren van de nieuwe vaardigheid.

Dit proces onderstreept het belang van het oefenen op het juiste niveau. Als je een doel nastreeft dat echt veel te hoog gegrepen is of je bekritiseert jezelf genadeloos, dan is de kans groot dat je op gaat geven omdat het te moeilijk voor je is. Als je een doel nastreeft dat moeilijk en uitdagend, maar mogelijk is en je bent ambitieus maar tegelijkertijd vriendelijk voor jezelf, dan is de kans groot dat je doorzet ook als je progressie langzaam gaat.

Zo hoorde ik laatst iemand in de training aan het einde van dag 1 verzuchten:’Maar dit is veel moeilijker dan ik had gedacht! Ik denk niet dat ik dit zomaar kan gaan toepassen zonder heel veel te oefenen’. Deze deelnemer had dus nog maar net een paar uur geoefend met progressiegerichte interventies en verwachtte van zichzelf dat ze het nu wel zou kunnen. Gelukkig kon ze er zelf om lachen. En die vriendelijkheid voor jezelf heb je hard nodig als je tenminste goed wilt gaan worden in je nieuwe vaardigheid. Daar kan niemand je toe verplichten natuurlijk, de belangrijkste vraag is of je de vaardigheid WILT leren. En als het antwoord ‘ja’ is, oefen dan op het juiste uitdagende niveau: het niveau waarop je tegelijkertijd jezelf moet overstijgen én kunt ervaren dat je progressie boekt en competenter wordt.

1

pianoOnderzoeken tot op heden hebben vooral geconcludeerd dat als mensen intensief bezig zijn met muziek, dat dit te zien is in bijvoorbeeld de grootte en activiteit in bepaalde delen van het brein. De onderzoekers Burunat et al vroegen zich af of er ook breinplasticiteit plaatsvindt tussen verschillende breindelen. Want intensief bezig zijn met muziek vraagt iets van meer dan alleen de motorische breinstructuren. Het doet bijvoorbeeld ook een beroep op de visuele cortex, de sensorische breinstructuren, prefrontale cortex. Dus wat al bekend was is dat muzikale training leidt tot sensorische en motorische neuroplastische veranderingen in ons brein. Er is bijvoorbeeld een vergrootte corpus callosum in muzikanten en een asymetrische somatomotorische representatie in het brein van snaarspelers.

De onderzoekers onderzochten, geïnspireerd door deze kennis, naar de relatie tussen muzikale training, de anatonomie van de callosal en de interhemispherische functionele symmetrie als mensen naar muziek luisteren. Het blijkt dat muzikanten die naar muziek luisteren veel meer symmetrie laten zien in hun beide hersendelen. Dus beide hersenhelften laten dezelfde activiteit zien bij muzikanten, terwijl dat bij niet muzikanten veel minder het geval is. In het brein van pianospelers is daarnaast meer symmetrische activiteit te zien dan in die van snaarspelers.

Deze toegenomen functionele symmetrie was te zien in zowel de visuele cortex als in de motorische brein netwerken. De onderzoekers concluderen dat deze duidelijke verschillen in brein symmetrie tussen muzikanten en niet muzikanten als ze naar muziek luisteren suggereert dat motorische training muziekperceptie beïnvloedt.

Intensief bezig zijn met muziek leidt dus tot breinplasticiteit, waarbij de beide hersenhelften beter met elkaar gaan communiceren en er meer symmetrische activiteit te zien is.