Category Archive: Gwenda Schlundt Bodien

Brein symmetrie bij muzikanten

pianoOnderzoeken tot op heden hebben vooral geconcludeerd dat als mensen intensief bezig zijn met muziek, dat dit te zien is in bijvoorbeeld de grootte en activiteit in bepaalde delen van het brein. De onderzoekers Burunat et al vroegen zich af of er ook breinplasticiteit plaatsvindt tussen verschillende breindelen. Want intensief bezig zijn met muziek vraagt iets van meer dan alleen de motorische breinstructuren. Het doet bijvoorbeeld ook een beroep op de visuele cortex, de sensorische breinstructuren, prefrontale cortex. Dus wat al bekend was is dat muzikale training leidt tot sensorische en motorische neuroplastische veranderingen in ons brein. Er is bijvoorbeeld een vergrootte corpus callosum in muzikanten en een asymetrische somatomotorische representatie in het brein van snaarspelers.
De onderzoekers onderzochten, geïnspireerd door deze kennis, naar de relatie tussen muzikale training, de anatonomie van de callosal en de interhemispherische functionele symmetrie als mensen naar muziek luisteren. Het blijkt dat muzikanten die naar muziek luisteren veel meer symmetrie laten zien in hun beide hersendelen. Dus beide hersenhelften laten dezelfde activiteit zien bij muzikanten, terwijl dat bij niet muzikanten veel minder het geval is. In het brein van pianospelers is daarnaast meer symmetrische activiteit te zien dan in die van snaarspelers.
Deze toegenomen functionele symmetrie was te zien in zowel de visuele cortex als in de motorische brein netwerken. De onderzoekers concluderen dat deze duidelijke verschillen in brein symmetrie tussen muzikanten en niet muzikanten als ze naar muziek luisteren suggereert dat motorische training muziekperceptie beïnvloedt.
Intensief bezig zijn met muziek leidt dus tot breinplasticiteit, waarbij de beide hersenhelften beter met elkaar gaan communiceren en er meer symmetrische activiteit te zien is.

Mensen zijn geen stoomketels

7217559-kokend-water-koker-met-dichte-stoomEr zijn twee kleine hersenstructuren in ons brein (amygdala) die actief zijn als we (heftige) emoties ervaren. Als je boos bent gaat dat bijvoorbeeld gepaard met activiteit in je amygdala. Als je amygdala geactiveerd is omdat je boos bent, dan is die als het ware rood aan het gloeien. Als je nu uiting geeft aan je boosheid door je woedende gedachten onder woorden te brengen, dan activeer je naast je amygdala ook je prefrontale cortex. Je cortex is betrokken bij (rationele) gedachten en percepties en bij ons bewustzijn.
Als je doel is om nog bozer te worden dan je al was, dan is het prima om je boosheid onder woorden te brengen. Zo stimuleert je prefrontale cortex je amygdala om nog wat meer te gaan gloeien. Maar als je doel is om te kalmeren en weer rationeler en met afstand naar je situatie te kunnen kijken, dan is het niet zo’n goed idee om je boze gevoelens te uiten. In plaats daarvan kun je dan beter je prefrontale cortex iets te doen geven dat niets met je boosheid te maken heeft. Aan iets anders denken, je aandacht focussen op iets moeilijks dat je probeert te begrijpen…wat dan ook, als het maar niet met het onderwerp van je boosheid te maken heeft. Als je dat doet geef je je amygdala de tijd om af te koelen. En dan kun je vervolgens op een rationele en constructieve manier over het belangrijke onderwerp in gesprek gaan.
Dus let wel: mensen zijn geen stoomketels en de stoomketelmetafoor gaat niet op voor menselijke emoties. Het is niet zo dat als je boos bent dat je dan stoom af moet blazen zodat je kalmeert. Stoom maakt juist meer stoom. Uiting geven aan je woede versterkt de woede. Uiting geven aan verdriet versterkt het verdriet. Uiting geven aan blijdschap versterkt de blijdschap. Uiting geven aan jaloezie versterkt de jaloezie. En uiting geven aan liefde versterkt de liefde.

Angstaanval beheersen via je cortex of via je amygdala

51XvD2VN6wL._SX331_BO1,204,203,200_Veel mensen hebben er wel eens last van: paniek en angstaanvallen. Het kan heel beangstigend zijn als je een dergelijke aanval krijgt. Heb jij er wel eens last van of ken je iemand die er wel eens last van heeft?

De rest van dit artikel is alleen toegankelijk voor geregistreerde leden.

U kunt zich gratis registreren en hebt dan toegang tot alle artikelen.

Mocht u al een account hebben aangemaakt, gebruik dan deze link om in te loggen.

Huh?

mark dingemansAls mensen met elkaar communiceren hebben ze manieren nodig om misverstanden snel te corrigeren. Terwijl ze met elkaar praten moeten ze in staat zijn om miscommunicatie op te lossen en snel te verhelderen wat men bedoelt of hoort. De vaardigheid om misverstanden op het moment dat ze optreden te corrigeren, is universeel nodig in elke taal. Mark Dingemans et al publiceerde recentelijk een aantal onderzoeksartikelen waaruit blijkt dat die universele noodzaak om miscommunicatie snel op te lossen terwijl we communiceren, heeft geleid tot cross-culturele oplossingen. Zowel voor hoe mensen de miscommunicaties snel oplossen (door woordjes ertussendoor gooien zoals “wat?” of “wie?” als je niet begrijpt wat de ander net heeft gezegd), als voor welke woorden we gebruiken. Zo blijkt dat “huh?” een woord is dat universeel wordt gebruikt om communicatieproblemen snel te repareren.
Artikelen Mark Dingemans

Wat waardevol is verdient bescherming

Angst kan ons ervan weerhouden om stelling te nemen tegen barbaarse praktijken, ingegeven door religieuze illusies. Maar als we ons laten leiden door angst, dragen we niet bij aan progressie. Als we onze vrijheid belangrijk vinden, dan is het het waard iets te doen om die te beschermen. Als we de maatschappij zoals we die nu hebben opgebouwd waardevol vinden, dan is het belangrijk om dingen te durven zeggen en doen om die maatschappij te behouden. Dit soort debatten kunnen bijdragen aan progressie in de richting van een tolerante en rationele wereld:

Leerdoelen die de prestaties verbeteren

thee zakjeMiranda zit in VWO-3 en heeft altijd hele hoge cijfers. Ze vindt dat ook erg belangrijk. Een hoog cijfer zegt haar dat ze het kan. Dat ze slim is. Maar voor de betavakken haalt ze geen negens en tienen, maar zesjes en zevens. Daardoor vindt ze de betavakken niet meer leuk. Ze denkt regelmatig:”Dit moet ik toch kunnen?!”, en is gefrustreerd als ze weer eens merkt dat ze het niet kan. Scheikunde, natuurkunde, wiskunde…met haar IQ zou ze hoge cijfers moeten halen, maar die haalt ze niet. Voor de talen haalt ze wel de negens en de tienen die ze van zichzelf verwacht. Ze beslist om de betavakken in de vierde te laten vallen en de talenkant op te gaan. Ze vreest wel dat talen studeren saai zal zijn, maar ze hoopt dat ze een baan als tolk-vertaler misschien wel leuk kan gaan vinden. Dan komt het moment dat ze haar vakkenpakket moet gaan kiezen en de nieuwe scheikunde docente zegt tegen haar:”Jij kiest toch zeker wel een NT-pakket, dat is echt wat voor jou!” Miranda begrijpt er niks van. Ze haalt toch helemaal geen hoge cijfers? Hoezo, is NT echt wat voor haar? In de lessen begint ze eens op te letten op de andere leerlingen. En ze merkt nu pas dat die de stof ook erg moeilijk vinden. Het is dus niet gek dat ik het zo moeilijk vind, maar juist normaal, denkt Miranda. De nieuwe scheikunde docente is erg aardig en Miranda begint anders te denken over haar prestaties en begint te ontspannen in de lessen. Ze begint haar aandacht te richten op het proberen te begrijpen van de stof in plaats van op aan te tonen dat ze de stof wel aankan. Ze verandert haar doel: ze wil graag de lastige betavakken beter leren begrijpen. Elke keer als ze weer een complexe opgave fout doet, richt ze haar aandacht op het leren begrijpen wat ze fout deed. En ze merkt hoeveel plezier het haar brengt als ze doorkrijgt hoe ze haar fouten kan verbeteren. Ze kiest voor een NT-profiel met twee talen buiten haar rooster om. En drie jaar later? Dan is ze geslaagd met een 10 voor Frans en Duits en zijn haar cijfers voor natuur-, schei- en wiskunde sterk verbeterd. Ze gaat wiskunde en natuurkunde studeren. Omdat dat haar interesse heeft gekregen.

Gezondheid in plaats van schoonheid

Spiegel_GREen groep leerlingen op een middelbare school kregen een les in tai-boo. Sommige leerlingen kregen te horen dat het doel van deze sport was om hun figuur te verbeteren. Dat is een extrinsiek doel. Een buitenkantdoel. Andere leerlingen kregen te horen dat het doel van deze sport was om hun gezondheid in termen van fitness te verbeteren. Dat is een intrinsiek doel. Een binnenkantdoel. Het resultaat was interessant. De leerlingen die werkten aan het doel om hun gezondheid te verbeteren waren meer autonoom gemotiveerd om actief deel te nemen aan de lessen. Ze presteerden beter en hielden de activiteit beter vol, ook gedurende langere tijd. De leerlingen die werkten aan het doel om hun figuur mooier te maken voelden zich meer onder druk staan en gecontroleerd. Ze presteerden slechter en hielden de activiteit minder lang vol en stopten er sneller mee. Denk je erover om af te gaan vallen of om naar de sportschool te gaan? Werk dan aan het doel om je gezondheid te verbeteren en je fitness niveau te verbeteren in plaats van aan het doel om er mooier uit te gaan zien. Je welbevinden neemt er van toe, je prestaties worden beter en je houdt het langer vol. Intrinsieke doelen zijn doelen waarmee je aan je persoonlijke groei werkt, aan je intieme relaties en aan het bijdragen aan het welbevinden van de mensen om je heen. Extrinsieke doelen zijn doelen waarmee je werkt aan je status, rijkdom en schoonheid. Glorie verliest snel zijn glans, als glorie de reden is waarom je iets doet.

Voorbeeld progressiegerichte coachingsdialoog

Omdat veel deelnemers aan onze training zeggen het zo nuttig vinden om progressiegerichte dialogen te analyseren, is hier een voorbeelddialoog van een progressiegericht coachingsgesprek.
dialoog met de processchaal

Je keuze volop leven

Doelen stellen en die bereiken is goed voor ons welbevinden. Als we een positief doel bereiken voelen we ons gelukkig en krijgen we energie. Als we iets naars hebben weten te vermijden voelen we ons rustig en veilig.
Elke keer dat we ons een doel stellen en het daadwerkelijk bereiken trainen we onszelf om beter te worden in het stellen van doelen en het ondernemen van acties om die doelen te bereiken. Het nemen van beslissingen betekent ook dat je een intentie krijgt om iets te gaan doen en dat je je een doel stelt. Beslissingen nemen, intenties hebben en doelen stellen doen alledrie een beroep op onze ventromediale prefrontale cortex. Een positief beroep, het gaat namelijk gepaard met het reduceren van angstgevoelens en piekeren.
Maar het kan moeilijk zijn om te beslissen welk doel je wilt bereiken. Soms lijkt elke optie verkeerd. En als we nadenken over alle negatieve kanten van een beslissing, dan wordt het nog moeilijker om een knoop door te hakken. Als we geen beslissing meer durven te nemen, kan dat leiden tot een negatieve spiraal. We worden steeds besluitelozer, ook ten aanzien van eenvoudiger keuzes. We trainen ons brein dan om besluiteloos te worden in plaats van dat we ons brein trainen om keuzes te maken en doelen te stellen.
Geen beslissingen nemen, geen intenties hebben en geen doelen stellen omdat elke beslissing, doel of intentie niet de juiste lijkt te zijn, heeft een negatief effect op ons. Ons limbisch systeem is dan actief en we worden getrokken in negatieve impulsen en slechte gewoontes.
Als we vervolgens wel weer een besluit nemen beginnen we de wereld daadwerkelijk anders te zien. Het anders zien van de werkelijkheid nadat je een beslissing hebt genomen gebeurt omdat de prefrontale cortex lagere orde sensorische cortexen top-down bestuurt. Dus als je prefrontale cortex een doel heeft, stuurt die bijvoorbeeld de visuele cortex zo aan dat je bepaalde dingen wel en andere dingen minder gaat zien. Zo word je selectiever in wat je hoort en ziet. Als je ergens specifiek op let, heb je immers een grotere kans dat je het ook gaat zien. Als we een besluit hebben genomen, gaan we ons ook focussen op oplossingen vinden voor problemen die we tegenkomen bij de uitvoering van de beslissing. En dat heeft weer een kalmerende werking op ons limbisch systeem.
Dus hoewel het ongelofelijk moeilijk kan zijn een knoop door te hakken en jezelf een doel te stellen en de intentie te krijgen om dat doel te gaan bereiken, is het niet maken van keuzes vaak schadelijker dan het wel maken ervan. De werkelijkheid is ook te complex om te kunnen spreken van “de juiste beslissing”. Een beslissing kan goed worden afhankelijk van hoe we die beslissing vormgeven, hoe we reageren op problemen, hoe we omgaan met tegenslagen.
Het gaat er dus misschien nog wel meer om dat “je je keuze volop leeft” dan welke keuze je precies maakt.

De aanknop van breinplasticiteit

aanknopIn het jonge brein heeft wat het kind hoort, ziet of voelt een direct effect op hoe het brein zich ontwikkelt. In het volwassen brein is dat niet meer zo. Niet meer alles wat de persoon hoort, ziet of voelt leidt dan nog tot breinplasticiteit. Dat is maar goed ook, want veel vaardigheden die we hebben geleerd hoeven niet meer te leiden tot veranderingen in ons brein. We kunnen lopen en voor elke keer dat we nu wandelen hoeft ons brein niet opnieuw allerlei aanpassingen te doen. In plaats van dat alle ervaringen een effect hebben op ons brein, heeft het volwassen brein veel meer controle over zijn eigen plasticiteit. Waar in het jonge brein de plasticiteitsknop voortdurend op “aan” staat, staat die in het volwassen brein op “uit, tenzij…”. De breinplasticiteitsknop wordt aangezet in vier soorten situaties.
De eerste situatie is als we onze aandacht focussen. Als we ons focussen op een taak of op een doel dan krijgt ons brein de informatie dat dit belangrijk voor ons is en dat het mogelijk goed voor ons zou zijn om aanpassingen aan te brengen in ons brein. Als we dingen doen die ons dichter bij ons doel brengen, dan krijgt ons brein ook de informatie dat het verstandig is om zich aan te passen: dit werkt voor ons doel, dus onthouden! Als we een stimulans of juist een remming ervaren, dan wordt ons brein ook alert. Dus als we fouten maken (soort straf voor het brein), dan is dit een signaal voor het brein om even goed op te letten welke aanpassingen gewenst zijn. En als we iets goed doen (soort beloning voor het brein), ook dan is dat een signaal voor breinplasticiteit. En tenslotte gaat breinplasticiteit “aan” wanneer we erg verrast worden ergens door. In positieve of in negatieve zin.
Als een van deze vier triggers plaatsvindt, dan komen er chemische moleculen vrij in ons brein. Modulerende neurotransmitters. Bijvoorbeeld: als je merkt dat je iets hebt geleerd of je voelt je succesvol ergens in, dan wordt dopamine aangemaakt. Die neurotransmitter zegt “bewaar dit”. Als je positief of negatief wordt verrast dan komt een andere neurotransmitter vrij: noradrenaline. Dat vertelt het brein “Geweldig” of juist “Kijk uit!”. Als je helemaal gefocust bent op wat je doet, dan komt acetylcholine vrij. Die neurotransmitter zegt tegen het brein “Probeer dit eens”, zodat je er achter komt wat je moet weten of doen in de situatie. Deze neurotransmitters komen alleen vrij wanneer het brein ze nodig heeft en niet wanneer we de dingen doen die we altijd al deden en die niks nieuws vragen van ons brein.
Dus wanneer gaat de breinplasticiteit als het ware weer “aan”? Ten eerste als we onze aandacht focussen op een taak of op een doel. Ten tweede als we een beloning of een straf ervaren. Ten derde als ons brein merkt dat ons gedrag goed werkt om een bepaald doel te bereiken. En ten vierde als ons brein wordt verrast of bedreigd door iets onverwachts.
Dus wil je graag dat je brein zich gaat aanpassen? Leer dan eens een nieuwe vaardigheid, focus je ergens op, zoek situaties op waarin je verrast zult worden omdat ze nieuw voor je zijn en kies een doel waaraan je gericht gaat werken.