Welke interventie stimuleert een groeimindset?

Hieronder staat een rijtje vragen en opmerkingen die ofwel een groeimindset ofwel een statische mindset stimuleren bij de ontvanger. Als je jezelf wilt trainen, kijk dan eens of je herkent welke interventies een statische en welke juist een groei mindset stimuleren:
o Ik begrijp dat je deze fout de volgende keer wilt voorkomen, welke ideeën heb je over hoe je je aanpak kunt verbeteren?
o Jij hebt dat echt in je hè, leidinggeven
o Jij bent geslaagd voor dit tentamen, je hebt vast hard geleerd!
o Je hebt een 8, je bent een talentje!
o Je hebt een 7! Vooral het eerste deel van de stof beheers je al heel goed!
o Gezien je resultaat heb jij vast een goede aanpak gehanteerd, hoe heb je het aangepakt?
o In leidinggeven zou ik maar niet teveel energie stoppen…je hebt er geen aanleg voor en dat ontwikkelen zou heel veel van je vragen zonder dat je er goed in zult worden
o Jij bent een goede tekenaar
o Jij bent echt slim hè!
o Wat heb jij toch een geluk dat alles je zo komt aanwaaien…
o Wat zou je graag willen leren de komende tijd?
o Ieder mens heeft zo zijn talenten, wat zijn die van jou?
o Waar zou je graag beter in willen worden?
o Jij hebt dyslexie/adhd/een trauma/bent kind van gescheiden ouders/bent een echte kerel/bent een echt meisje/bent nu eenmaal een homo/bent…
o Wat voor type ben jij?
o Vijf studiepunten…het begin is er. Wat je vaak ziet is dat beginnende studenten er na een paar maanden beginnen in te komen en dat ze dan met inspanning hun studieresultaten kunnen verbeteren. Welke ideeen heb jij over hoe je je studieresultaten kunt gaan verbeteren de komende maanden?
o Hoe ben je tot je antwoord op deze opgave gekomen?
o Geeft niks dat je niet kunt tekenen…je kunt niet overal goed in zijn
o Hoe kun je je redenering verbeteren?
o Waar denk je dat je mis gaat in je redenering?
o Vergelijk je antwoord eens met dat van een expert op dit gebied en kijk eens waarin je kunt verbeteren
o Jij hebt een mooie tekening gemaakt
o Nog maar 5 studiepunten…? Misschien is de universiteit toch wat te hoog gegrepen voor je…
o Jij hebt tijdens de geboorte zuurstofgebrek gehad en daar komt jouw leerstoornis vandaan…je moet er mee leren leven.
o Jij bent een geboren toneelspeelster!
Heb jij nog meer voorbeelden van groeimindset of statische mindset interventies?

Wanneer opgeven goed is voor je welbevinden

Hoge-bomen-minOptimistisch zijn dat je je doelen zult bereiken, geloven in je eigen kunnen en doorzetten bij tegenslagen zijn gerelateerd aan subjectief welbevinden. Het zijn belangrijke kanten van het reguleren van je gedrag, zodat je je belangrijke doelen blijft bereiken en je je goed voelt over jezelf en je situatie. Maar wat als je een onbereikbaar doel nastreeft? Is het dan ook goed om te blijven doorzetten, optimistisch te blijven en te geloven in je eigen kunnen? Of is dan een andere vorm van zelf regulatie belangrijker? Twee andere vormen van zelfregulatie zijn het loslaten van een doel en het vinden van nieuwe doelen. Wrosch et al onderzochten hoe deze twee voren van zelfregulatie gerelateerd zijn aan subjectief welbevinden.
In welke situaties is er bijvoorbeeld sprake van onbereikbare doelen? De onderzoekers hebben het dan over verplicht met pensioen moeten terwijl je liever zou blijven werken in je huidige baan, een scheiding waardoor je met die persoon met wie je graag oud zou zijn geworden niet oud zult kunnen worden, de dood van een naaste waardoor je geen toekomst met die persoon meer zult kunnen hebben, het te oud zijn om nog zelf kinderen te kunnen baren etcetera.
Als je met een onbereikbaar doel wordt geconfronteerd, kun je gevoel van falen ervaren en het gevoel dat je stagneert in het boeken van progressie. Dat kan leiden tot psychologische stress en een verminderd welbevinden.
Het effect van het kunnen loslaten van je doel en het vinden van nieuwe doelen (doelaanpassing) is onderzocht in drie studies. Bij jongere mensen die op kamers gingen om te gaan studeren, bleek dat het kunnen loslaten van onbereikbare doelen belangrijk is voor het gevoel grip te hebben op je leven, en om minder last te hebben van catastroferende gedachten. Bij oudere mensen bleek het nog belangrijker te zijn om nieuwe doelen te kunnen vinden dan voor jongere mensen. Als de oudere persoon niet goed in staat was om een nieuwe betekenisvol doel te vinden, was het nog beter voor zijn welbevinden om door te gaan met het proberen te bereiken van het onbereikbare doel dan het helemaal geen doel meer hebben. Voor ouders van kinderen met kanker bleken de zelfregulerende vaardigheden om onbereikbare doelen los te laten en nieuwe doelen te vinden heel belangrijk te zijn voor hun welbevinden en tegelijkertijd heel moeilijk. Juist wanneer er hele nare dingen gebeuren in je leven is het hebben van deze zelf regulerende vaardigheden extra behulpzaam voor je welbevinden. De onderzoekers stellen dat het aanleren van deze vaardigheden mensen die met tegenslag te maken hebben echt kan helpen.

Kan meer autonomie leiden tot meer stress?

72e7e54cfb58e78ab4_l_48c62Moeilijke of inspannende taken moeten doen waarbij je weinig controle ervaart over de uitvoering van de taak verhoogt de stress. Als je meer controle ervaart, dus meer autonomie ervaart ten aanzien van de uitvoering van de taak, werkt dat stressverlagend. Dat is een hypothese die in de onderzoeken naar stress onderzocht wordt. Het onderzoek van O’Donell et al (2015) duidt echter ergens anders op. De onderzoekers bekeken het effect van meer of minder autonomie bij het uitvoeren van een veeleisende en nieuwe cognitieve taak op zelf- gerapporteerde stress en feitelijke fysiologische symptomen van stress. In de ene conditie mochten de proefpersonen zelf beslissen wanneer ze pauze namen. In de andere conditie werd hen verteld wanneer ze pauze mochten nemen. Het bleek dat de autonomieconditie niet leidde tot minder stress, maar juist tot meer stress. De onderzoekers opperen dat als iemand een nieuwe taak probeert te leren, meer autonomie drukverhogend werkt omdat de persoon dan ook nog aandacht moet besteden aan een perifere beslissing zoals pauze nemen. Dat zou in plaats van stressverlagend, stressverhogend kunnen werken. Dit is natuurlijk maar 1 onderzoek, dus het gaat te ver om te stellen dat bij het leren van nieuwe taken het beter is om de autonomie zoveel mogelijk in te perken. Maar dit onderzoek wijst wel in die richting.

Hoe verander je je eigen statische mindset?

DEF Ontwikkel je mindset“Je kunt er eigenlijk niet tegen zijn…tegen een groeimindset”…zei laatst iemand tegen me:”Want het biedt zoveel voordelen voor jezelf en de mensen om je heen als je een groeimindset hebt..maar ja, hoe doe je het? Hoe verander je je statische mindset naar een groeimindset? Hoe maak je het van een concept dat je goed in de oren klinkt tot iets dat je zelf echt toepast?”
Ik ben benieuwd hoe jullie, lezers van onze nieuwsbrief, daarover denken. En vooral wat je doet om je eigen groeimindset te stimuleren. Zou je me eens willen mailen met je ervaringen (gwendaschlundtbodien@kpnmail.nl)? Hoe lukt het jou om een groeimindset bij jezelf te stimuleren?
Voor mij geldt dat ik gestopt ben met een aantal dingen en een aantal andere dingen ben gaan doen. Beide zijn wat mij betreft even belangrijk.
Een paar voorbeelden van waar ik mee ben gestopt….
• …met praten en denken in termen van “jij bent…” of “ik ben…”. Want na de puntjes komt een beschrijving van de persoonlijkheid, intelligentie, sterktes, zwaktes, capaciteiten of sekse. Dat soort beschrijvingen roept een statische mindset op.
• ….met persoonsgerichte feedback en persoonsgerichte complimenten te geven. Want dat soort feedback en complimenten roept een statische mindset op.
• ….met me bezig te houden of te verdiepen in allerlei labellende theorieën, zoals leerstijltheorieën, persoonlijkheidstheorieën en diagnose-instrumenten. Ooit, toen ik de groeimindset al een tijdje kende, heb ik me laten verleiden een MBTI-test in te vullen. Ik ervoer direct het schadelijke effect ervan: ik keek naar mezelf en anderen door de bril van een typologie, luisterde met die typologie in mijn hoofd en riep daarmee een statische mindset op bij mezelf en de ander.
• ….met niet meer instemmend te reageren op statische mindset uitspraken van anderen, zowel in coachingssituaties als in trainingssituaties als in privé-situaties.
• ….met mezelf te veroordelen voor fouten.
• …met te denken dat ik alleen dingen moet aanpakken waar ik aanleg voor heb of al goed in ben. Te denken in termen van “wat bij me past”.
Een paar voorbeelden van wat ik ben gaan doen….
• ….is steeds een beginnersniveau op te zoeken in een nieuwe vaardigheid, op een nieuw kennisterrein of in een nieuwe omgeving. Het meest recente voorbeeld is dat ik op mijn 48ste pianoles ben gaan nemen en nu al een zeer simpel liedje weet te spelen met twee handen. De reden om steeds weer een beginnersniveau op te zoeken is dat ik zo telkens weer merk hoe oefening en inspanning nodig is om beter te worden.
• …is fouten ervaren als aanleiding om verder te komen. Na een aantal jaren vrij intensief met de groeimindset bezig te zijn geweest gaat dat nu automatisch. Ik kan zelfs fouten in plaats van als aversief ervaren als prettige aanleiding om te leren. Als een fout echt oncomfortabel voelt focus ik op wat er niet effectief was in mijn gedrag of aanpak en bedenk ik manieren om dat te verbeteren. Zo krijgt persoonsgerichte negatieve labelling geen kans.
• …is soms hartelijk lachen om statische mindset gedachten of uitingen van mezelf en er de spot een beetje mee drijven.
• …is mijn kinderen (die nu al volwassen zijn), gaan opvoeden met de wetenschap dat ze altijd progressie kunnen boeken, dat er een link is tussen inspanning en resultaat, dat een focus op het proces van leren belangrijker is dan een focus op presteren. En ik heb ze leren herkennen wanneer ze statische mindset feedback kregen op school en in hun omgeving.
• …is kennis over de groeimindset blijven verwerven en ook delen met mensen die interesse hebben.
• …is in plaats van alleen maar vragen te stellen ook actief een ander perspectief aan te reiken in gesprekken door statische mindset uitspraken tegen te spreken en er een groeimindset perspectief tegenover te stellen.
Wat doe jij?

De positieve gedragsvraag

In een progressiegericht coachingsgesprek maakt de coach gebruik van doelgericht doorvragen. Hoe weet je of je klaar bent met doorvragen? Veel mensen die de progressiegerichte aanpak willen leren toepassen, stellen zich deze vraag. Het antwoord is: tot je gesprekspartner antwoord heeft gegeven in termen van zijn eigen positieve gedrag. Immers, als mensen hun eigen positieve gedrag levendig hebben gevisualiseerd, voelt dat gedrag dichtbij en bereikbaar. Dan krijgen ze zin om het te gaan doen, geven ze zichzelf geheugensteuntjes voor toekomstig gedrag en zijn ze bezig met een cognitieve generale repetitie. Vandaar dat we in het gesprek zo graag op dat niveau terecht willen komen. Dat doen we door gebruik te maken van de positieve gedragsvraag. Dat is een vraag die uitlokt tot positieve gedragsbeschrijvingen.
Positieve gedragsbeschrijvingen helpen ons de perceptie te hebben dat we in staat zijn het echt te doen. Als mensen hun gewenste situatie en hun eigen positieve gedrag in die gewenste situatie voor zich zien, gaan ze geloven dat die gewenste toekomst bereikbaar is. Als je je eigen positieve gedrag levendig voor je ziet, dan voelt het alsof je het al aan het doen bent. Uit de neurowetenschap naar verlangen en nabijheid blijkt dit: hoe dichterbij iets lijkt, hoe bereikbaarder het ook lijkt. En hoe bereikbaarder iets lijkt, hoe meer we bereid zijn er moeite voor te doen om het te krijgen. Ons verlangen naar iets maakt dat we de afstand tussen ons en het object van ons verlangen kleiner inschatten dan die daadwerkelijk is. Dat werkt ook de andere kant op. Hoe verder weg iets lijkt, hoe onbereikbaarder het lijkt en hoe minder we bereid zijn moeite te doen om het te krijgen. Een doel dat heel ver weg ligt, lijkt heel onbereikbaar en wordt daardoor heel onaantrekkelijk voor ons (Adam & Balcetis, 2011).
Als mensen hun eigen positieve gedrag visualiseren worden de bijbehorende motorische programma’s geactiveerd. Denken en doen zijn niet zo verschillend voor ons brein. Als we ergens aan denken is dezelfde hersenactiviteit te zien als wanneer we het doen. Dat betekent dat denken aan je positieve gedrag in je gewenste toekomst je al ervaring geeft met het betreffende gedrag. En dat geeft je vertrouwen dat je het gedrag ook daadwerkelijk in de praktijk kunt gaan brengen.
Als wij ons positieve gedrag in de gewenste situatie heel levendig voor ogen hebben, krijgen wij meer zicht op wat we allemaal moeten doen om die gewenste situatie te bereiken. Uit onderzoek van Oetingen en Hagenah (2007) blijkt dat dit onze verwachting dat we het gedrag zullen gaan uitvoeren en het gewenste resultaat zullen gaan bereiken, doet toenemen – en vooral dat we in de praktijk dat gewenste gedrag uitvoeren. Als we alleen maar fantaseren over een geweldige toekomst, zonder ons een levendig beeld te vormen van ons eigen positieve gedrag dat nodig is om die toekomst te bereiken, dan zijn we minder in plaats van meer geneigd om het gedrag daadwerkelijk te laten zien.
Wanneer wij ons positieve gedrag visualiseren, geven wij onszelf geheugensteuntjes. Daarmee herinneren we onszelf aan het gedrag dat we wilden uitvoeren op het moment dat het nodig is. Je hebt je bijvoorbeeld heel levendig voorgesteld hoe je de vergadering gaat leiden, en hoe je gaat reageren op tegenwerpingen van je collega’s. Doordat je dat zo levendig voor ogen hebt, help je jezelf om tijdens de vergadering je te herinneren wat je wilde doen. Een positieve gedragsbeschrijving werkt als een implementatie-intentie, waarbij we denken in termen van ‘als, dan’: als x gebeurt, doe ik y. Door deze geheugensteuntjes voor toekomstige gedragingen in toekomstige gebeurtenissen kunnen we heel snel en efficiënt reageren met het positieve gedrag op het moment dat het gewenst is.
Dus stel dat je de gewenste progressievraag hebt gesteld en je gesprekspartner antwoordt: ‘Ik wil gewoon graag weer voldoening hebben in mijn werk.’ Dit is nog geen positieve gedragsbeschrijving, dus ben je nog niet klaar met doorvragen. De doorvraag: ‘Wat kun je doen als je weer voldoening hebt in je werk?’ helpt je gesprekspartner wel om antwoord te geven in termen van zijn eigen positieve gedrag.
Andere formuleringen die helpen om te gaan antwoorden in termen van positief gedrag:
• Stel dat het probleem is opgelost, wat zou jij dan anders kunnen doen?
• Wat kun je doen als je op de schaal op de 10 staat?
• Stel dat Piet voortaan op tijd zou komen, wat zou jij dan anders kunnen doen ten opzichte van Piet?
• Waaraan zou je merken dat je progressie aan het boeken bent? Wat doe je dan anders?
• Wat kun je doen wanneer de situatie is zoals jij wilt dat die wordt?
• Stel dat je volgende week merkt dat het de goede kant op gaat, wat doe je dan beter?

Oefen en intervisie sessies progressiegericht werken

Wil je je progressiegerichte vaardigheden blijven ontwikkelen? Doe dan mee aan onze oefen- en intervisiesessies progressiegericht werken. In een dagdeel krijg je gelegenheid om met elkaar te oefenen, op microniveau interventies te oefenen met de trainers Gwenda Schlundt Bodien en Coert Visser en met elkaar casuïstiek te bespreken volgens de progressiegerichte intervisietechniek.
Je kunt je inschrijven per sessie en voor het aantal sessies dat je wenst. Hier kun je de data vinden en je inschrijven.

Hoe reageer je op grof taalgebruik?

Een progressiegerichte interactie kun je herkennen doordat altijd eerst erkenning wordt gegeven voor het perspectief van de ander voordat er een vraag wordt gesteld. Dus eerst erkennen, dan activeren. De reden daarvan is dat mensen zich openen wanneer ze merken dat ze worden begrepen en de ander zijn best doet om ze te begrijpen. Wanneer mensen dat merken, kunnen ze zich openstellen voor wat de ander naar voren brengt. Als de ander dan met een goede vraag komt, gaan de gedachten van mensen op zoek naar het antwoord daarop. Zonder erkenning zijn mensen geneigd zichzelf te herhalen. Dus als je merkt dat je gesprekspartner zich herhaalt, kun je dat als signaal zien dat je niet genoeg erkenning hebt gegeven voor het perspectief van je gesprekspartner.
Aansluiten en erkennen is daarmee een basisinterventie in elk progressiegericht gesprek, waarmee je laat blijken de perceptie van de ander te hebben gehoord, deze te respecteren en serieus te nemen. Kern hierbij is dat je meent wat je zegt. Je staat als het ware even helemaal in de werkelijkheid van je gesprekspartner en je accepteert zijn perspectief zonder voorbehoud. Geef jij volop erkenning, dan heeft de ander onweerstaanbaar de neiging om open te staan voor jouw vervolginterventie.
Maar wat als de cliënt grof taalgebruik hanteert? Dat vragen professionals die met kinderen of met (verbaal agressieve) klanten werken zich soms af. Een leerling zegt bijvoorbeeld:”Die docent is gewoon een klootzak en hij heeft de pik op mij!” of een cliënt zegt:”Jullie zijn gore leugenaars…bedriegers! Niemand helpt mij hier! Jullie sturen me van het kastje naar de muur!”
Neem je die sleutelwoorden dan mee in je samenvatting? Hier volgen een paar mogelijke antwoorden:
Erkennen en negeren van de grove woorden
Als je het gebruik van deze woorden niet wilt aanmoedigen en ook niet een te grote plek wilt geven in het gesprek, kun je deze woorden negeren en niet meenemen in je samenvatting. Je erkent dan wel het perspectief en brengt geen oordeel in het gesprek. Tegen de leerling zeg je bijvoorbeeld:”Dat klinkt als een hele vervelende situatie voor je” en tegen de cliënt:”Dat zegt u vast niet zomaar….vertel eens?”
Reframen
Je kunt ook reframen, dat wil zeggen dat je samenvat en in je samenvatting net even constructievere woorden gebruikt dan je gesprekspartner deed. Tegen de leerling zeg je dan bijvoorbeeld:”…ah, dus je zou liever willen dat je docent aardiger tegen je deed?” en tegen de cliënt zeg je bijvoorbeeld:”…ah, begrijp ik het goed dat u liever duidelijk wil weten waar u terecht kunt met uw probleem?”
Juist wel de grove woorden herhalen
Als je denk dat het gebruik van de woorden erg belangrijk is voor wat je gesprekspartner wil zeggen, kun je er ook voor kiezen om juist wel die kernwoorden te herhalen. Tegen de leerling kun je zeggen:”…Een klootzak die de pik op je heeft…? Wat is er aan de hand?” en tegen de cliënt:”Leugenaars die u van het kastje naar de muur sturen…dat is zeker niet onze bedoeling!”
Sturen
Je kunt ook gaan sturen. Als je vindt dat je gesprekspartner ander gedrag moet gaan laten zien is dat een goede optie om te gaan doen. Tegen de leerling zeg je dan bijvoorbeeld:”Dan is het goed dat we even met elkaar praten nu….het is de bedoeling dat jij rustig bent in de klas, ook als je dingen moet doen die je niet leuk vindt…welke ideeën heb jij om je beter te gaan gedragen in de klas bij deze docent?” En tegen de cliënt zeg je bijvoorbeeld:”Ik wil u graag goed verder helpen…daarvoor is het nodig dat wij rustig met elkaar in gesprek kunnen gaan…Zou u mij eens willen uitleggen wat u graag zou willen dat er opgelost gaat worden?”
Grof taalgebruik kan gepaard gaan met boosheid bij je gesprekspartner. In dat geval kan het herhalen van de boze woorden de persoon alleen nog maar bozer maken. Uiting geven aan een emotie versterkt immers diezelfde emotie. De gesprekspartner in de uitlegrol zetten (vertel eens, wat is de situatie?) helpt dan waarschijnlijk beter om de ander te laten kalmeren.

(Op)nieuw geleerd, oud gedaan

OMSLAG_232xAls je eenmaal tekenen van dementie laat zien gaat alles alleen maar bergafwaarts. Je herinnert je steeds minder, je kunt steeds minder. Familieleden en professionals moeten zich daarom uitsluitend richten op het verzorgen van de demente persoon en geen moeite meer doen om die persoon nog iets te leren. Is dat echt de enige mogelijke insteek? Of hebben ook mensen met dementie nog lerend vermogen?
Het boek (Op)nieuw geleerd, oud gedaan van Ruud Dirkse, Roy Kessels, Hans Hoogeveen en Irmgard van Dixhoorn legt uit dat ouderen met dementie wel degelijk kunnen blijven leren. Het boek werd me aanbevolen door een betrokken team van lerende professionals bij Stichting MaasDuinen, die werken met ouderen met dementie. Het boek is zowel voor professionals als voor iedereen die te maken heeft met dementie in zijn privé omgeving interessant om te lezen en vooral, ervan te leren.
Zo wordt er in het boek uitgelegd dat mensen met dementie nog steeds kunnen leren, bijvoorbeeld om nieuwe technische hulpmiddelen te bedienen. Het leren bij mensen met dementie kan bijvoorbeeld op deze vier manieren:
1. stimulus-respons leren: een aaneenschakeling van handelingen die, als je ze vaak genoeg herhaalt, een automatisme wordt
2. foutloos leren: mensen met dementie leren niet zozeer van fouten maken, maar leren het beste door de nieuwe handelingen foutloos te doorlopen. Ze hebben dus behoefte aan eenvoudige en duidelijke instructies, waardoor de nieuwe handelingen foutloos geoefend kunnen worden.
3. emotie-leren: gebeurtenissen met een emotionele lading worden gemakkelijker opgeslagen in het geheugen. Het is belangrijk voor mensen met dementie om vooral positieve emoties te ervaren tijdens het leren. Dus het creëren van een omgeving en gebeurtenissen die positieve emoties oproepen helpt om op een prettige manier te leren. Mensen met dementie zijn sterker geneigd zijn om zich gebeurtenissen waarbij ze negatieve emoties ervoeren te herinneren, waardoor ze daar telkens weer van streek van kunnen raken.
4. associatie-leren: een mooi gedekte tafel roept de associatie op met lekker eten. Om ervoor te zorgen dat ouderen met dementie blijven eten kan het daarom goed werken om gebruik te maken van dit soort associaties en de tafel gezellig te dekken met aantrekkelijk opgediend eten.
Een hoopgevend boek, dat op overtuigende wijze praktische handvatten biedt voor het boeken van progressie door mensen met dementie.

Progressiefocus behouden

fundamentWat kun je doen als je progressie wilt boeken in een niet-progressiegerichte context? Click here to read more »

Wat is de functie van positieve emoties?

Evolutionair gezien is het ervaren van negatieve emoties logisch verklaarbaar. Boosheid en angst zetten je aan tot actie als je in gevaar bent en wordt bedreigd. Maar positieve emoties zetten niet aan tot een specifieke actie. Waarom hebben we die dan? Wat is de functie van positieve emoties? Barbara Fredrickson stelt dat in plaats van dat positieve emoties aanzetten tot een specifieke actie, deze deze emoties een effect hebben op onze gedachten en aandacht. Positieve emoties beïnvloeden onze gedachten en onze aandacht en openen ons, waardoor we flexibel en creatief gaan denken en innovatievere probleemoplossers worden. Daardoor worden onze psychologische, fysieke en sociale krachtbronnen gevoed en uitgebouwd. Deze versterkte krachtbronnen hielpen onze voorouders weer om te kunnen overleven.
Negatieve emoties treden op als we in gevaar zijn, positieve emoties ontstaan als we ons veilig voelen. Als we negatieve emoties ervaren wordt onze aandacht gefocust en versmald. We krijgen letterlijk een tunnelvisie. Positieve emoties veroorzaken “denk-actie”-tendensen, zoals Fredrickson het noemt. Onze aandacht en gedachten worden verruimd en dat brengt cognitieve veranderingen met zich mee. Als we positieve emoties ervaren worden onze gedachten verruimd en nemen we meer globaal onze omgeving waar. We verwerken informatie als geheel, in plaats van in detail. Als we positieve emoties ervaren worden we ook trager in het verwerken van complexe informatie. We nemen meer perifere informatie op die onze aandacht afleidt van de complexe taak. Als we positieve emoties ervaren worden we creatiever en innovatiever. We zien meer mogelijkheden voor het inzetten van bestaande middelen en bedenken originele oplossingen voor problemen. We zijn ook meer bereid om nieuw gedrag te laten zien.
Positieve emoties helpen ons ook om andere mensen beter te begrijpen. We zien meer overeenkomsten tussen onszelf en de ander als we zelf positieve emoties ervaren. Daarnaast zien we ook meer overeenkomsten met mensen van een ander ras als we positieve emoties ervaren. De ervaren verschillen tussen rassen en sociale groepen worden verkleind en we stellen ons meer open voor anderen. Al met al zettten positieve emoties ons aan tot het nemen van beslissingen. En daarmee uiteindelijk ook tot het ondernemen van actie.
Die veranderde beslissingen en acties hebben een effect op langere termijn. Dat is het build-effect van Fredrickson’s theorie. Mensen die gedurende langere tijd positieve emoties ervaren komen op een pad van persoonlijke groei en welbevinden terecht. Ze accepteren zichzelf meer, zijn fysiek gezonder, bouwen hun competenties uit, bouwen betere relaties op met andere mensen en hebben het gevoel dat hun leven betekenis heeft. Deze mensen floreren. Ze zijn veerkrachtig en weten goed om te gaan met tegenslagen. Positieve emoties neutraliseren namelijk de negatieve fysiologische effecten die negatieve gebeurtenissen zoals ziekte en verlies hebben. Ze herstellen daarmee onze fysiologische balans en geven ons hernieuwde energie, zodat we ons niet uitgeput voelen. We zetten daardoor meer door, zowel bij taken die we niet prettig vinden als bij fysieke activiteiten die we pijnlijk of moeilijk vinden.
Positieve emoties zijn prettig op het moment dat we ze ervaren. Ze hebben ook een langere termijn functie.