Skip to content

Kritisch nadenken over leerstijlen

dromerWat denk jij: levert het betere leerprestaties op als je weet welke leerstijl een student heeft en als je je manier van lesgeven afstemt op de leerstijl van de student?

Als je ‘ja’ zegt op die vraag, weet je dan ook waar je het bewijs voor je antwoord kunt vinden?

Feit is: we zijn ver van een duidelijke wetenschappelijke conclusie en een wetenschappelijk bewijs dat het identificeren van de leerstijl van een student en het afstemmen van je lesstijl (instructie) op de leerstijl van de student leidt tot betere leerprestaties.

Er is een enorme hoeveelheid aan leerstijltests en theorieën over leerstijlen en hoe je op basis daarvan zou moeten omgaan met het ontwerpen van lesmaterialen en –instructies. Maar: er zijn duidelijke kanttekeningen te plaatsen bij hoe zeker we weten dat er verschillende leerstijlen bestaan, los van wat mensen zelf denken dat hun leerstijl is. Wat duidelijk naar voren komt is dat elke student baat heeft bij instructies die inhoudelijk goed zijn en sensorisch afwisselend zijn. Constantinidou en Baker (2002) vonden dat het gebruik van beelden voor alle volwassenen effectief is, ongeacht de leerstijl die iemand zegt te hebben. De populaire LSI test en de theorie van de leercyclus van Kolb kent serieuze problemen met de betrouwbaarheid, validiteit en het bestaan van een leercyclus is zeer twijfelachtig (Wierstra & De Jong, 2002).

Er is veel bewijs voor het belang van het afstemmen van je instructies op het kennis- en vaardigheidsniveau van de student, maar dat bewijs is er niet voor het matchen van je lesstijl op de gepercipieerde leerstijl. De meta-analyse van Hattie en Timperley in 2012 gepubliceerd in Visible learning and the science of how we learn naar het bestaan van leerstijlen en het effect van het afstemmen van je instructie op de leerstijl van de student toont aan dat er een betere weg voorwaarts is om effectief les te geven dan het diagnosticeren van de leerstijl: het afstemmen van je instructie en feedback op het kennis- en vaardigheidsniveau van de student.

Mijn pleidooi: gebruik geen leerstijltests en besteed geen tijd en geld aan het ontwikkelen van lesmaterialen die rekening houden met leerstijlen, voordat je hebt onderzocht of er een wetenschappelijk bewijs is dat dit leidt tot betere leeropbrengsten. Dit rapport is een goede start om dat te gaan onderzoeken: Learning styles by Coffield e.a.

In 2006 daagde Will Thalheimer, onderzoeker op het gebied van leerprocessen, iedereen uit die claimt dat het in acht nemen van een leerstijl bij het ontwerp van je lesinstructie leidt tot betekenisvol betere leeropbrengsten. Hij stelde toen 1000 US dollar in het vooruitzicht, voor de eerste persoon of groep die dit kon bewijzen. Het is nu bijna 2016. Er is nog niemand geweest die de 1000 US dollar in ontvangst heeft mogen nemen. Hij heeft nu de beloning verhoogd naar 5000 US Dollar. Dit is Will Thalheimer’s uitdaging:

quote ‘Ik (Will Thalheimer) geef 1000 US Dollars aan de eerste persoon of groep die kan bewijzen dat het in acht nemen van een leerstijl bij het ontwerp van je instructie betekenisvol betere leeropbrengsten veroorzaakt. Ik ben al vele jaren wantrouwend over de leerstijlen fanfare. Het leerstijlen argument gaat ongeveer zo: als docenten de leerstijl van hun studenten kennen, dan kunnen ze materiaal ontwikkelen dat specifiek toegespitst is op die studenten en dat levert betere leerresultaten op.

Ik betwijfel dit, maar ik sta open voor bewijs dat ik het fout heb.

Hier zijn de criteria voor mijn leerstijlen-instructieonwerp-uitdaging:

  1. Het leerprogramma moet de leerstijl van de student diagnositiceren. Daarna moet het verschillende materialen aanbieden en de studenten verschillende ervaringen laten opdoen afgestemd op de verschillende leerstijlen.
  2. Het leerprogramma moet vergeleken worden met een vergelijkbaar programma waarin geen onderscheid wordt gemaakt in het gebruikte materiaal/ervaringen gebaseerd op leerstijlen
  3. De leerprogramma’s moeten van vergelijkbare kwaliteit zijn en dezelfde soort informatie bevatten. Het enige verschil tussen de twee programma’s moet de leerstijlmanipulatie zijn.
  4. De vergelijking tussen de twee versies (de leerstijlversie en de niet-leerstijlversie) moet eerlijk, valide en betrouwbaar zijn. Tenminste 70 studenten moeten ad random worden toegekend aan de twee groepen, met ten minste 35 studenten in elke groep. De twee programma’s moeten ongeveer even lang duren. De tijd die het kost in de leerstijlengroep om de leerstijlen te diagnostiseren, wordt bijvoorbeeld in de andere groep benut voor leren. De mediaan leertijd in de programma’s mag niet korter zijn dan 25 minuten.
  5. De studenten moeten volwassenen zijn, die betrokken zijn in een formeel werkgerelateerd trainingsprogramma, via e-learning zonder live instructeur. Dit is omdat het experiment precies repliceerbaar moet zijn, en dat is niet het geval als er live instructeurs zijn die de instructies geven.
  6. Het leerstijlprogramma moet ontwikkeld zijn door een organisatie die zich richt op het ontwikkelen van leerprogramma’s voor daadwerkelijk gebruik in de praktijk. Het gaat niet om leerprogramma’s die alleen voor wetenschappelijk gebruik bedoeld zijn, maar juist om leerprogramma’s die gebruikt worden in de praktijk. Mijn claim is dat het toepassen van leerstijlen diagnoses in de praktijk, geen leeropbrengsten veroorzaakt.
  7. De resultaten moeten worden beoordeeld op een authentieke manier, dat wil zeggen dat de studenten prestaties moeten leveren of scenario-gebaseerde beslissingen moeten nemen. Het leerprogramma moet dus de echte praktijk authentiek simuleren. Leerprogramma’s die alleen maar gericht zijn op het produceren van kennis (definities uit je hoofd leren bijvoorbeeld), zijn niet toegestaan. De uiteindelijke beoordeling van de leerprestaties moet tenminste 1 week na afloop van de training plaatsvinden. Dezelfde eindtest moet worden gebruikt voor beide groepen. De test moet een goede en eerlijke beoordeling zijn van de leerervaring.
  8. De grootte van het verschil in leerresultaten tussen het leerstijlprogramma en het niet-leerstijlprogramma op de eindtest moet tenminste 10% zijn.
  9. De resultaten moeten statistisch significant zijn op p<.05 level. De juiste statistische procedures moeten worden toegepast om de betrouwbaarheid van de resultaten te bepalen. Cohen's d effect size moet gelijk zijn aan .4 (of meer).
  10. Het leerstijlprogramma mag niet meer dan twee keer zoveel kosten dan het niet-leerstijl programma, en het mag niet meer dan twee keer zoveel tijd kosten om het te ontwerpen.
  11. De resultaten moeten door onafhankelijke partijen worden gedocumenteerd.

De uitdaging is dus deze: Kan een e-learning programma dat informatie over leerstijlen benut 10% betere leerresultaten bereiken dan een e-learning programma dat deze informatie niet gebruikt, zelfs als dat programma twee keer zoveel kost in tijd en geld?' unquote

Er is nog geen enkele studie gekomen die heeft bewezen dat dit het geval is. De uitdaging loopt al sinds 2006. Het geldbedrag is verhoogd naar 5000 US dollar. Dat geldbedrag is nooit geclaimd. In die tijd zijn er miljoenen gestoken in de leerstijlenindustrie.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *