Effecten van soorten doelen
Hier kun je lezen dat in de huidige Achievement Goal Theory onderscheid wordt gemaakt in de volgende doelen:
Hier kun je lezen dat in de huidige Achievement Goal Theory onderscheid wordt gemaakt in de volgende doelen:

In de jaren 80 was de conceptualisatie van Achievement Goals als volgt: de redenen en doelen die individuen hebben als zij gedrag vertonen om iets te bereiken. Er werden twee soorten doelen onderscheiden: taakgeoriënteerde doelen en egogeoriënteerde doelen.
John Hattie maakt zich sterk voor evidence based onderwijspraktijken. Hij stelt dat het van groot belang is dat docenten een gedeelde perceptie hebben hoe progressie voor een individuele student er uit ziet. Als een leerling van de ene naar de andere klas gaat, is het van belang dat hij steeds iets uitdagender lesstof krijgt, dat hij een docent krijgt met dezelfde hoge verwachtingen ten aanzien van de te bereiken progressie door de leerling als de voorgaande docent en dat hij een docent krijgt die aansluit bij waar de leerling op dat moment aan toe is (in plaats van waar de docent zelf vanuit gaat dat leerlingen bij de start van een jaar moeten staan). Er is daarnaast veel winst te behalen bij het ontwikkelen van een groeimindset bij docenten, zo stelt Hattie. Docenten kijken nog vaak met een statische mindset naar leerlingen, plaatsen ze bijvoorbeeld in groepjes die zich van elkaar onderscheiden qua niveau en creeren daarmee vervolgens een statische mindset bij die leerlingen. Hier kun je meer stukjes vinden die ik schreef over de aanbevelingen en bevindingen van John Hattie:

Onder andere in dit artikel kun je lezen over een gunstig klassenklimaat voor leerlingen, dat wil zeggen een klassenklimaat waarin ze op een betrokken en geïnteresseerde manier steeds beter worden in het vak dat ze aan het leren zijn. Wat kun je als docent doen om een dergelijk klassenklimaat te creëren? Klik hier om meer te lezen

Is het verstandig om in de klas een competitief klimaat te creëren? Of is het beter om een klassenklimaat te creëren waarin er een focus is op meesterschap, dus op beter worden in de taak en op leren? En hoe meet je dan wat beter is?

Eisen stellen aan hoe je kind zich gedraagt past prima in een autonomieondersteunende opvoedstijl. Autonomie ondersteuning is immers niet hetzelfde als laissez-faire, alles goed vinden wat je kind wil en doet. (Realistische) hoge verwachtingen zijn zelfs, mits ze op een niet-autoritaire wijze worden besproken, goed voor het welbevinden van kinderen. Dat leren de onderzoeken in de zelfdeterminatietheorie ons.
Ouders kunnen onafhankelijkheid in kinderen stimuleren door de nadruk te leggen op hun eigen meningen en hun eigen besluitvorming, onafhankelijk van de mening van hun omgeving en hun ouders.Is dat een goede manier om het welbevinden van het kind te versterken en de band tussen kind en ouders te versterken?

Welk type ouderlijke betrokkenheid leidt tot goede schoolprestaties? “Dit komend schooljaar wordt een belangrijk jaar voor mijn kind, want zijn cijfers van dit jaar gaan mede bepalen of hij zal worden toegelaten tot de universiteit waar hij graag heen wil”, vertelde een ouder mij laatst:”Wat kan ik, als zijn ouder, doen zodat dat hem gaat lukken?”
Er is sprake van een motivationele wisselwerking tussen docenten en hun studenten. Als docenten zelf autonoom gemotiveerd zijn en op een autonomieondersteunende manier lesgeven, dan zijn hun studenten ook autonomer gemotiveerd. Hoe werkt dat?

Docenten die autonomieondersteunend lesgeven plukken daar zelf ook de vruchten van. Ze lopen namelijk veel minder kans op emotionele uitputting, depersonalisatie en burnout. Klik hier om meer te lezen