expertiseIedereen die start met een nieuwe activiteit heeft oefening en training nodig. Er zijn geen voorbeelden bekend van hele jonge kinderen die zonder enige oefening direct een expert niveau lieten zien in een bepaalde vaardigheid. Hoewel de ene persoon meer aanleg kan hebben voor iets dan de andere persoon, is het niet zo dat degenen met aanleg bij het starten van een nieuwe activiteit direct op topniveau presteren. Alle mensen hebben oefening nodig willen ze een vaardigheid leren beheersen.

Als mensen een nieuwe vaardigheid leren, zoals autorijden, dan oefenen ze gedurende een bepaalde periode geconcentreerd totdat ze een niveau hebben bereikt waarop ze de vaardigheid zo beheersen dat er geen bewuste aandacht meer nodig is. Afhankelijk van de specifieke vaardigheid duurt het bereiken van dit geautomatiseerde niveau een bepaalde periode. Het leren van een nieuwe activiteit en het beter worden in die activiteit kost energie. Verbeteren gaat namelijk gepaard met aanpassingen in cognitieve mechanismen die een beroep doen op ons zenuwstelsel, ons brein en ons fysiologisch systeem. Ons lichaam streeft ernaar om ons metabolisme zo min mogelijk te belasten. Het zal dus hard aan het werk gaan om de nieuwe activiteit te automatiseren. Want als iets is geautomatiseerd, zijn er simpelere cognitieve mechanismen gaande die minder energie kosten. Helaas zorgen die simpelere cognitieve mechanismen er tegelijkertijd voor dat we niet meer automatisch verbeteren en leren. We doen gewoonweg wat we al eerder deden, zonder bewuste aandacht en dus zonder te verbeteren. Als professionals eenmaal een acceptabel prestatieniveau hebben bereikt, is er geen sprake meer van automatische verbeteringen. Vandaar dat simpelweg veel ervaring in een bepaald vakgebied geen voorspeller voor toppresteren is. Er zijn juist indicaties dat meer ervaring leidt tot een afname in het presteren.

Vele onderzoeken naar musici, sporters, zangers, schaakspelers etcetera laten telkens zien dat wat het verschil maakt in het niveau dat de beoefenaars bereiken komt door geconcentreerd oefenen en al oefenend verbeteren. Dus tientallen jaren op een spelende manier bezig zijn met een activiteit leidt niet tot verbeterde prestaties. Longitudinale onderzoeken naar toptennissers, bijvoorbeeld, laat zien dat er drie variabelen zijn die doorslaggevend zijn voor het bereiken van een topniveau: ouderlijke steun, verworven taakspecifieke vaardigheden door training en de motivatie om geconcentreerd bezig te zijn met de sport.

En dat brengt ons op deliberate practice. De kernaanname bij deliberate practice is dat expert prestaties gradueel worden verworven en dat voor effectieve verbetering van de prestaties passende trainingstaken noodzakelijk zijn, die de persoon sequentieel kan leren beheersen. Het ontwerp van de trainingstaken en het monitoren van het bereikte prestatieniveau wordt gedaan door een coach of docent. De trainingstaken liggen in het begin van de oefening net buiten het huidige bereik, maar kunnen binnen enkele uren van aandachtige training worden beheerst. Die training bevat het telkens verfijnen van de prestaties op kritieke momenten (dus daar waar het fout gaat) door aandachtig te oefenen na gekregen feedback. Concentratie is daarbij het sleutelwoord.

Door deliberate practice word je vaardiger. De vaardigheidsniveaus zijn relatief stabiele stadia, die van elkaar verschillen in fysiologisch en/of cognitief opzicht. De stadia verschillen bijvoorbeeld van elkaar in termen van spierkracht, snelheid en uithoudingsvermogen of in termen van het inschatten van situaties en het nemen van de juiste beslissingen in die situaties. Dat de vaardigheidsniveaus van elkaar verschillen is observeerbaar omdat de persoon beter gaat presteren.

Hoe werkt die fysiologische kant van het verwerven van een hoger niveau? Mensen worden fysiek beter in een bepaalde activiteit wanneer ze hun lichaam gedurende langere tijd en vele trainingssessies stretchen, dus pushen ver boven het niveau waarop ze zich fysiek comfortabel voelen. Als ze dat doen, dan worden fysiologische processen geactiveerd. De slapende genen in het DNA worden als het ware wakker. Dat zou je de aanknop van onze genen kunnen noemen. Daardoor vinden veranderingen plaats op het niveau van onze cellen in ons lichaam en in ons brein. Door het niveau van training vol te houden, past ons brein en ons lichaam zich op den duur dusdanig aan dat we niet zoveel moeite meer hoeven te doen. Fysiologisch streven we namelijk steeds naar een equilibrium. Dus onze fysiologische processen maken overuren wanneer we van onszelf iets vragen dat we nog niet kunnen. Net zo lang tot we weer in evenwicht zijn, en dan verbeteren we niet meer automatisch. Daarom is het voor het bereiken van een topniveau belangrijk om steeds nieuwe manieren van trainen te vinden waarmee we onze fysiologie stretchen, zonder het te overbelasten of beschadigen.

Hoe werkt de mentale kant van het verwerven van een hoger niveau? Mensen worden cognitief beter in een bepaalde activiteit wanneer ze steeds betere representaties hebben van de consequenties van bepaalde handelingen. Neem bijvoorbeeld schaakspelers. Schaakspelers op een hoog niveau zijn in staat om de consequenties van veel meer verschillende schaakzetten in te schatten dan amateur schaakspelers. Zij kunnen veel meer representaties van schaakzetten herinneren omdat ze die hebben opgeslagen in hun lange termijn geheugen. Ze oefenen gedurende minimaal 4 uur per dag solitair met het bestuderen van schaakzetten van meesters in diverse situaties. Beginnende schaakspelers hebben vooral moeite om de diverse schaakzetten in hun werkgeheugen vast te houden. Ervaren schaakspelers onthouden de schaakposities die hen kort zijn voorgelegd veel beter dan onervaren schaakspelers, mits het gaat om schaakposities die ze bekend zijn en die ze hebben geoefend en geleerd. Door de mentale representaties verwerven we een steeds hoger vaardigheidsniveau in schaken, opereren, typen, golven etcetera. We kunnen onze acties steeds beter plannen, analyseren, uitvoeren en monitoren. Om cognitief steeds beter te worden moeten we de grenzen van wat we nu mentaal aankunnen opzoeken en oefenen daar waar we het lastig beginnen te vinden.

Dus, hoe ontwerp je een training dusdanig dat de beoefenaar incrementele verbeteringen kan bereiken, fysiologisch en/of mentaal? Door steeds een oefening aan te reiken die de beoefenaar nu nog net niet kan, zodat hij zich moet stretchen, maar hij het wel in een paar uur oefenen kan leren beheersen. Dat is dus op microniveau oefenen.