In de jaren 80 was de conceptualisatie van Achievement Goals als volgt: de redenen en doelen die individuen hebben als zij gedrag vertonen om iets te bereiken. Er werden twee soorten doelen onderscheiden: taakgeoriënteerde doelen en egogeoriënteerde doelen. Taakgeoriënteerde doelen stonden ook wel bekend als Mastery goals of Learning goals en draaiden om het ontwikkelen van vaardigheden en kennis. Egogeoriënteerde doelen werden ook wel Performance goals, Ability goals of competitiedoelen genoemd en draaiden om het aantonen dat de persoon competent was.

In de jaren ’90 werd de Achievement Goal theorie op twee belangrijke manieren gewijzigd. Ten eerste werden de twee aspecten van ‘reden’ en ‘doel’ gesplitst. De definitie van Achievement Goals werd daarmee nauwer en verwees uitsluitend naar cognitieve representaties van competentiegerelateerde doelen die individuen nastreven in een bepaald prestatiedomein (de reden werd als het ware uit de definitie gehaald). Er werd onderscheid gemaakt tussen Mastery Goals, gerelateerd aan een persoonlijke norm en aan een taakgerelateerde norm, en Performance Goals, gerelateerd aan een normatieve standaard of aan de prestaties van anderen. De redenen om te kiezen voor elk van deze doelen kan variëren en is onafhankelijk van het doel zelf. Zo kan iemand kiezen voor een Mastery Goal of een Performance Goal om dezelfde reden, bijvoorbeeld om goedkeuring te krijgen van de ouders. De tweede manier waarop de Goal Theorie werd gewijzigd was door toevoeging van de Avoidance en Approach dimensie.

In 2008 ontstond het 2×2 model waarin er sprake was van een Mastery Approach Goal (de student streeft naar het ontwikkelen van academische competentie gebaseerd op zijn intrapersoonlijke en absolute/taakgerelateerde standaards: mijn doel is om dit vak helemaal te doorgronden) en Mastery Avoidance Goals (de student wil vermijden dat er geen optimale ontwikkeling en beheersing van de taak plaatsvindt gerelateerd aan de eigen intrapersoonlijke standaards en de abolute/taakgerelateerde standaards: ik wil het vermijden dat ik minder leer dan ik zou kunnen leren). Daarnaast was er sprake van Performance Approach goals (de student wil superieure academische competentie demonstreren gerelateerd aan interpersoonlijke of normatieve standaards: het is mijn doel om het goed te doen in vergelijking met andere studenten) en Performance Avoidance Goals (de student wil vermijden dat hij minder competent lijkt dan andere studenten: ik wil vermijden om het slechter te doen dan anderen).

Meer recente ontwikkeling in de Achievement Goal Theorie is de toevoeging van de evaluatieve standaard die wordt gehanteerd voor de competentieverwerving: de taak, het zelf of de ander. Zo werd het 3×2 framework van Achievement Goals geïntroduceerd. Daarin is sprake van zes Achievement Goals:

Mastery Goals:
a. Taak approach: de student beoogt de taak goed te doen
b. Taak avoidance: de student beoogt de taak niet fout te doen
c. Self approach: de student probeert een hoger niveau te halen dan hij zelf eerder haalde
d. Self avoidance: de student wil voorkomen dat hij slechter presteert dan hij eerder deed
Performance Goals:
e. Other approach: de student beoogt de taak beter te doen dan anderen
f. Other avoidance: de student beoogt de taak niet slechter te doen dan anderen

Hier kun je zien wat het effect is van het soort Achievement Goal op gedrag, cognitie, welbevinden, sociaal functioneren en de prestatie (het cijfer).