Als je veel kennis hebt op een bepaald gebied kan het lastig zijn om in te kunnen schatten hoeveel informatie een ander kan verwerken. Je kunt je als trainer dan ook snel vergissen en de aandachtige knikkende toehoorder ten onrechte aanzien voor iemand die helemaal volgt wat je aan het uitleggen bent. Vaak is het aandachtig knikken en hummen helemaal geen teken van begrijpen wat er uitgelegd wordt, maar een signaal dat de toehoorder erg hard bezig is te proberen alle informatie in zijn werkgeheugen vast te houden.Voor de expert is zijn kennis een coherent geheel, dat nauwelijks beroep doet op het werkgeheugen. Maar voor de toehoorder die nog weinig tot niets weet over wat de trainer aan het vertellen is geldt dit:

  1. Mensen kunnen ongeveer 7 stukjes informatie in hun werkgeheugen paraat houden, waarvan ze er met twee tot vier actief bezig kunnen zijn
  2. Het werkgeheugen kan informatie slechts een paar seconden vasthouden. En na 20 seconden is alle informatie verloren tenzij het wordt ververst door een actief herhalingsproces.

Er zijn twee bronnen van cognitieve belasting, die de trainer in het oog moet houden. De eerste bron is de informatie zelf. De intrinsieke cognitieve belasting. De trainer moet ervoor zorgen dat de hoeveelheid nieuwe informatie uitermate beperkt wordt gehouden en dat de deelnemer aan de training al na hele korte tijd zelf actief bezig gaat met de informatie.

De tweede bron van cognitieve belasting is de aanvullende cognitieve belasting. Die wordt veroorzaakt doordat de trainer allerlei niet informatie-relevante voorbeelden en woorden gebruikt. Tussenzinnetjes, een voorbeeld, kleine uitstapjes naar een gerelateerd onderwerp, nog een voorbeeld etc. Die cognitieve belasting wordt door de trainer zelf vaak niet onderkend, maar het leidt bij de deelnemer aan een training snel tot een cognitieve overbelasting. De trainer moet er daarom voor zorgen dat hij zijn hoeveelheid woorden beperkt houdt.

De kennis die het lange termijn geheugen is opgeslagen kan de nieuweling helpen om meer nieuwe informatie tegelijkertijd te begrijpen. Hij hangt dan de nieuwe kennis op aan kennisschema’s die hij al heeft, waardoor hij sneller verbanden ziet. De trainer kan de nieuweling helpen om zich de nieuwe kennis eigen te maken door hem te laten reflecteren op hoe de nieuwe informatie gerelateerd is aan wat hij al weet. (gebaseerd op Van Merrienboer en Sweller in Visible learning)

Enkele tips om cognitieve overbelasting te voorkomen

  1. Flip-teaching of backward design. Als een deelnemer nog niets weet van het onderwerp kan het helpen om eerst de diverse componenten van wat hij gaat leren te laten zien, zodat hij overzicht krijgt over alle componenten, voordat hij ingaat op specifieke onderdelen. De trainer kan daartoe voor de training begint uitleggen wat de beoogde resultaten en succescriteria zijn.
  2. Uitgewerkte voorbeelden. Als een deelnemer nog niets weet van het onderwerp is het effectief om stap-voor-stap voorbeelden te geven, waarin de deelnemer het succesvolle geheel leert zien.
  3. Invul-oefeningen. Als een deelnemer iets meer weet van het onderwerp is het effectief om de deelnemer zinnen te laten aanvullen en voorbeelden te laten aanvullen.
  4. Problemen oplossen. Pas wanneer de deelnemer relatief veel weet over het onderwerp is het zinnig om hem problemen voor te leggen die hij moet oplossen. Problemen en casuïstiek laten oplossen terwijl de deelnemer nog weinig weet is geen effectieve leerstrategie.
  5. Deelnemers in groepjes problemen laten oplossen kan effectief zijn omdat meerdere mensen meer informatie kunnen vasthouden in het werkgeheugen. Er zijn immers meer werkgeheugens beschikbaar

Bron: Visible Learning, the impact of cognitive load.