Het handboek “attitudes, personality and behavior, second edition” van Icek Ajzen biedt een grondig overzicht van het onderzoek naar waarom mensen bepaald gedrag vertonen. Wanneer gaan mensen bepaald gedrag uitvoeren? Welke factoren bepalen of iemand iets al dan niet gaat doen?

In deze nieuwsbrief een paar hoofdpunten uit het boek van Ajzen. Te beginnen met de intentie om gedrag te gaan uitvoeren.

Er is sterke correlatie tussen de intentie om bepaald gedrag te doen en het daadwerkelijk doen van dat gedrag. Oftewel: als iemand de intentie heeft om iets te doen, dan is de kans groot dat die persoon het gedrag ook echt gaat doen. In specifieke domeinen is de correlatie zelfs tussen 0.75 en 0.96. Bijvoorbeeld bij de pil slikken, borstvoeding geven, een abortus ondergaan, bloed doneren, doorvoeren van de stemkeuze.

Een intentie om gedrag te gaan doen is sterker gecorreleerd met het daadwerkelijk uitvoeren van dat gedrag dan de attitude ten opzichte van bepaald gedrag. Moeders die een positieve attitude hebben ten opzichte van borstvoeding lieten een correlatie zien van 0.67 met de daadwerkelijke voedingsmethode die ze kozen, terwijl moeders die de intentie hadden om borstvoeding te geven een correlatie lieten zien van 0.82.

Intenties zijn dus doorgaans een goede predictor voor daadwerkelijk gedrag. Wat zijn de determinanten van gedragsintenties? Dat zijn er 3. De eerste determinant is persoonlijk van aard, de tweede is sociaal van aard en de derde draait om controle.

  1. De persoonlijke factor is de attitude van de persoon ten opzichte van het gedrag. Staat de persoon positief of negatief ten opzichte van het gedrag?
  2. De sociale factor is de perceptie van de persoon van de sociale druk om het gedrag al dan niet te vertonen. Dit is de subjectieve norm.
  3. De controle factor draait om de perceptie van de persoon of hij in staat is om het gedrag te vertonen, de ervaren gedragscontrole.

Over het algemeen hebben mensen de intentie om gedrag te gaan vertonen als ze dat gedrag positief evalueren, als de sociale druk ervaren om het gedrag te vertonen en als ze geloven dat ze de middelen en kansen hebben om het gedrag te vertonen.

Welk van deze drie factoren het meest belangrijk is, hangt af van het gedrag waar het over gaat, de persoon die het betreft en de maatschappij waarin de persoon functioneert. Het relatieve gewicht van deze factoren varieert dus.