Tegenmaatregelen tegen briljantie-overtuigingen

Tegenmaatregelen tegen briljantie-overtuigingen. Bauer et al (2026) publiceerden een artikel waarin ze het Briljant-Belonging-model introduceren, het ‘briljantie-erbijhoren-model’. Een bijzonder interessant model, waarin kennis vanuit verschillende psychologische onderzoeksgebieden bij elkaar komen. Daarnaast biedt het artikel overtuigende inzichten over wat al dan niet kan werken om tegenmaatregelen te nemen tegen cultureel-ingebedde overtuigingen over briljantie, die negatief uitwerken voor grote groepen mensen.
| Trainingen Progressiegericht Werken |
Twee briljantie-overtuigingen
De onderzoekers leggen uit dat er twee soorten briljantie-overtuigingen onderscheiden kunnen worden. De eerste zijn vakspecifieke briljantie-overtuigingen, die gaan over opvattingen over wat nodig is om succesvol te zijn in verschillende academische disciplines. Er is daarbij sprake van een continuum; mensen kunnen aan de ene kant van het continuum geloven dat inspanning en volharding voldoende kunnen zijn om succesvol te worden (inspanningsovertuigingen), en aan de andere kant van het continuum kunnen mensen geloven dat uitzonderlijke intellectuele vermogens noodzakelijk zijn om succes te kunnen bereiken (niet voldoende, maar wel noodzakelijk). Het tweede type overtuigingen gaat over wie er al dan niet briljant zijn.
Erbijhoor-overtuigingen
Brijlantie-overtuigingen gaan dus ook over veronderstelde groepsverschillen, zo leggen de onderzoekers uit. Als er in een samenleving wordt geloofd dat briljantie nodig is om succesvol te kunnen zijn in een bepaald vakgebied en er wordt geloofd dat sommige groepen mensen briljanter zijn dan anderen, dan heeft dit consequenties voor degenen die niet tot de briljante groepen behoren. Die hebben dan last van de stereotiepe ideeën over briljantie die heersen in de samenleving. Ze zullen vervolgens in bepaalde contexten geloven dat zij er niet thuishoren en anderen zullen dat ook geloven. Onder andere hun psychologische basisbehoeften worden dan gefrustreerd of niet vervuld, hun welbevinden en hun prestaties lijden eronder.
Ikzelf en anderen
Die overtuigingen uiten zich vervolgens zowel in hoe iemand over zichzelf denkt en wat die persoon denkt dat anderen over hem/haar geloven, als in hoe anderen daadwerkelijk naar de persoon kijken. De persoon kan zelf geloven dat hij intellectueel niet goed kan meekomen met wat er nodig is in het vakgebied. En de persoon kan ook geloven dat zijn gedrag niet past bij wat er in de context wordt verwacht. Daarnaast kunnen anderen daadwerkelijk denken dat de persoon niet op de juiste plek zit, gezien zijn persoonskenmerken (geslacht, huidskleur, sociaaleconomische klasse).
Niet veelbelovend
De onderzoekers wijzen erop dat een paar paden aan om tegenmaatregelen te nemen tegen de negatieve spiraal die ontstaat vanuit briljantie-overtuigingen en de perceptie dat iemand/jijzelf er niet bij hoort waarschijnlijk niet veelbelovend zullen zijn. Ze denken dat het rechtstreeks ingaan tegen stereotiepe overtuigingen niet zo goed zal werken. Stereotiepe overtuigingen zijn hardnekkig en worden al heel vroeg in het leven van kinderen cultureel overgedragen. Daarnaast kan je via het weerleggen van een stereotiepe overtuiging diezelfde overtuiging juist activeren en versterken. Als je bijvoorbeeld zegt: ‘Niet alleen jongens kunnen briljant zijn in wiskunde, ook meisjes kunnen dat hoor’, dan bevestig je niet alleen de stereotiepe overtuiging dat jongens briljanter zijn dan meisjes maar ook dat briljantie noodzakelijk is om succesvol te kunnen worden. Negatie: juist door iets te ontkennen, bevestig je wat je probeert te ontkennen. Ook het naar voren schuiven van rolmodellen (dit meisje is briljant in wiskunde) kan een averechts effect hebben; ‘Ik kan toch nooit zo goed worden als zij, zij is een uitzondering (die dus de regel bevestigt)’, kan de gedachte worden bij degene die niet als rolmodel naar voren wordt geschoven.
| Trainingen Progressiegericht Werken |
Wel veelbelovend
De onderzoekers suggereren ook wat ze als veelbelovender interventies zien. Ze bevelen interventies aan die zich richten op het verminderen van vakspecifieke briljantie-overtuigingen in een context, omdat daarmee ook de perceptie van erbij horen bij gestigmatiseerde studenten wordt geadresseerd. Zo kunnen docenten op de basisschool bijvoorbeeld de overtuigingen van basisschoolkinderen over succes in wiskunde. Docenten en ouders zouden, zoals de onderzoekers aanbevelen “recepten voor succes” in de wiskunde kunnen verkennen die niet op briljantie berusten.
Recepten voor succes
Deze recepten zouden strategieën kunnen benadrukken zoals het ontwikkelen van probleemoplossende vaardigheden, het cultiveren van nieuwsgierigheid, effectief samenwerken en het opbouwen van een positieve relatie met wiskunde. Daarbij nabedrukken de onderzoekers dat ouders en docenten als autoriteitsfiguren het meest geloofwaardig zijn. Ze zien interventies via directe computerprogramma’s als interessant, maar ontoereikend. Docenten en ouders moeten niet simpelweg zeggen dat “inspanning ertoe doet”. Immers, als je dan niet goed scoort in wiskunde, heb je dan niet genoeg je best gedaan? Het gaat niet simpelweg om inspanning, maar om duidelijke handvatten hoe je succesvol kan worden in het betreffende vak. Hoe moet je leren, hoe moet je het leren aanpakken, hoe word je beter in wat je nog moeilijk vindt?
Staartdelingen
Toen ik zes jaar was liet mijn juf mij testen op mijn intellectuele capaciteiten. We waren in de klas net begonnen met rekenen en op de wand hingen de cijfers 1 tot 100. Terwijl ik een sommetje maakte voelde ik dat de juf mij aan het observeren was. Ik herinner me dat ik dacht: ‘Doe ik iets fout?’, ik blokkeerde en kon niet meer focussen op rekenen. De testpsycholoog schreef een uitgebreid rapport. Docent talen kon ik later wel worden, maar wiskunde zou ik nooit kunnen, ik had er geen aanleg voor. Die diagnose gebruikte mijn docenten om me in mijn rapport gerust te stellen: ‘Het gaf niet dat ik niet kon rekenen, ik kon weer goed toneelspelen’. Ieder zo zijn talent. Mijn vader, daarentegen, docent Nederlands destijds, legde zich er niet bij neer. Hij ging op een bepaald moment staartdelingen met me oefenen. Hij legde uit hoe ze werkten, en liet me vervolgens in 1 minuut 3 staartdelingen oplossen. Zijn conclusie: ‘Hoezo zou jij niet kunnen leren rekenen. Je hebt nu 3 staartdelingen in 1 minuut goed opgelost!’ Het doet me denken aan de recepten voor succes waar Bauer et al het over hebben. Mijn vader zei niet simpelweg: ‘Doe je best, je kunt het!’, maar hij geloofde dat ik zou kunnen leren rekenen met hulp, feedback, tijd en effectieve inspanning. En zo lukte het wel.
| Trainingen Progressiegericht Werken |
