Search results for:

Je welbevinden versterken door te focussen op intrinsieke doelen

Uit een studie van Lekes et al (2012) bleek een causaal verband te zijn tussen een focus op intrinsieke doelen en toegenomen welbevinden. Dus als je je focust op je intrinsieke doelen, dan heeft dit naar alle waarschijnlijkheid een positief effect op je welbevinden. Intrinsieke doelen onderscheiden zich van extrinsieke doelen doordat ze aansluiten bij de psychologische basisbehoeften van mensen. Een intrinsiek doel is bijvoorbeeld het nastreven van persoonlijke groei. Ook het opbouwen van intieme relaties en het bijdragen aan de gemeenschap zijn intrinsieke doelen. Extrinsieke doelen zijn bijvoorbeeld het nastreven van een beloning, rijkdom, populariteit en schoonheid. Dit soort doelen hebben gemeen dat er sprake is van een afhankelijkheid van de goedkeuring van anderen of een andere vorm van extrinsieke beloning en controle. Het blijkt dat mensen die extrinsieke doelen nastreven een verminderd welbevinden ervaren en dat ze juist hoge verwachtingen hebben van hun geluksniveau als ze het extrinsieke doel hebben bereikt. Die hoge verwachtingen komen niet uit, in plaats daarvan neemt het welbevinden af. De intrinsieke doelen liggen in lijn met de psychologische basisbehoeften: autonomie, competentie en verbondenheid. Het nastreven van die doelen helpt om de basisbehoeften te vervullen en daardoor neemt het welbevinden toe.
Je kunt zelf een focus aanbrengen op je intrinsieke doelen. Kies daartoe eens twee intrinsieke doelen die belangrijk voor je zijn en schrijf gedurende 20 minuten op waarom deze doelen zo waardevol voor je zijn en hoe deze doelen en waarden terug te zien zijn in je leven. Sta vervolgens elke week een keertje stil bij je twee intrinsieke doelen. Lees wat je hebt geschreven dan even door, bedenk twee slogans of quotes die aansluiten bij je intrinsieke doelen en waarom die belangrijk voor je zijn en reflecteer even hoe je bezig bent geweest met je intrinsieke doelen de afgelopen week. In het onderzoek van Lekes deden mensen dit gedurende vier weken en was een toename in hun welbevinden het resultaat.

Kritische collega verpest gesprek

IMG_3002Laatst stelde een leidinggevende mij de volgende vraag:
”Ik had een externe trainer uitgenodigd om met mij en mijn collega-leidinggevende te praten over het verzorgen van een training voor onze medewerkers. Ik wilde graag een goed beeld krijgen van hoe de trainer de training zou aanpakken en wat zijn visie was op zijn vak. Maar in het gesprek kwamen we niet toe aan het goed begrijpen van de aanpak van de trainer, omdat mijn collega-leidinggevende op een negatief kritische manier de externe trainer tegemoet trad. Hij viel bijvoorbeeld met de deur in huis door tegen de trainer te zeggen:”Jij wilt ons natuurlijk iets verkopen, maar dat wil nog niet zeggen dat ik het wil kopen.” En bij alles wat de trainer vroeg of zei, reageerde mijn collega met een frons en met een tegenwerping. Wat had ik kunnen doen om het gesprek om te buigen van negatief kritisch naar positief onderzoekend? Want ik heb nu geen goed beeld kunnen krijgen van de aanpak van deze trainer. De trainer werd steeds in de verdediging geduwd, omdat hij beticht werd van slechte bedoelingen en een slechte aanpak en het hele gesprek wantrouwend werd behandeld. Mijn collega lijkt er wel trots op te zijn dat hij zo negatief kritisch deed, hij ziet zichzelf als hele kritische man en ziet zijn eigen houding als iets goeds. Dat maakt het extra lastig voor mij. Heb je een tip wat ik kan doen om een gesprek de goede kant op te buigen als je eigen collega kritisch, negatief en veroordelend in een gesprek zit?”
Hier zijn een paar ideeën wat je kunt doen in een dergelijke situatie:
• Maak gebruik van reframen en neem het gesprek over. Als je collega zegt ”Jij wilt ons natuurlijk iets verkopen, maar dat wil nog niet zeggen dat ik het wil kopen.”, kun je met een vriendelijke toon zo reageren:”Ja, de bedoeling van dit gesprek is natuurlijk om te onderzoeken of we iets voor elkaar kunnen betekenen….Daarom zouden wij graag een goed beeld krijgen van je trainingsaanpak en ik kan me zo voorstellen dat jij ook graag een inschatting wil maken of onze vraag en jouw aanpak bij elkaar aansluiten…zou je iets willen vertellen over je trainingsaanpak?”
• Nodig je collega uit tot positieve uitingen. Als je collega bijvoorbeeld tegen de externe trainer zegt:”Dat zie ik niet zitten, dat jij in je training onderwerp a op manier b wil gaan aanpakken!” kun je zo interveniëren door aan je collega te vragen:”Ja, het is voor ons heel belangrijk dat onderwerp a in de training goed uit de verf komt hé……waar pleit jij voor ten aanzien van hoe onderwerp a in de training aan de orde komt?” of je kunt tegen je collega zeggen:”Dat zeg je vast niet zomaar….wat vind jij belangrijk ten aanzien van de aanpak van onderwerp a?”
• Kader in. Neem bijvoorbeeld het initiatief in het gesprek om te verduidelijken waarom jij deze trainer hebt uitgenodigd voor het gesprek. Je kunt bijvoorbeeld zeggen:”De reden waarom ik jou heb uitgenodigd is omdat jouw publicatie x mij heel erg aanspreekt en ik veel aanknopingspunten zie in wat jij daar schrijft en waar wij behoefte aan hebben. Ik zal even toelichten waar wij behoefte aan hebben en wat mij aanspreekt in je publicatie…”
• Neem een time out. Vraag je collega of hij even mee wil lopen om koffie te halen, omdat je maar twee handen hebt. Verduidelijk aan je collega wat je wilt bereiken in het gesprek terwijl jullie naar de koffie lopen:”Wat ik graag zou willen in dit gesprek is om een goed beeld te krijgen van de aanpak van deze trainer, zodat wij na afloop samen kunnen beslissen of we met hem verder willen. Is het ok wat jou betreft als we in dit gesprek vooral positief onderzoekende vragen stellen, zodat hij de gelegenheid krijgt om ons een goed beeld te schetsen van zijn visie en aanpak?”
• Geef het voorbeeld door zelf positief onderzoekend en nieuwsgierig te reageren op wat de trainer zegt. Bijvoorbeeld:”Ah, interessant onderwerp dat je daar aansnijdt…vertel eens, wat is jouw visie daarop?” en “Ik wil het graag goed begrijpen…zou je nog eens wat willen uitleggen over hoe jij onderwerp a zou willen aanpakken in je training en wat je overwegingen daarbij zijn?”
• Zet de trainer in de rol van selecteur. Als je collega de trainer behandelt als verkoper die zijn waar wil slijten, draai de rollen dan subtiel om door
te vragen aan de trainer:”Zijn er voorwaarden wat jou betreft waar een vraag van een opdrachtgever aan moet voldoen wil jij in een opdracht stappen?” of “Wat zijn succesfactoren wat jou betreft, dus wat moeten wij goed regelen intern wil jij kans van slagen zien om met ons te werken?”
• Vraag na afloop van het gesprek mandaat aan je collega om iets uit te leggen over jouw visie op effectieve gespreksvoering met externen. Licht je collega toe dat een kritische beoordelende houding in jouw optiek vooral effectief is nadat je informatie hebt vergaard en niet tijdens het vergaren van informatie. Leg hem uit dat als je, als je in de fase zit van informatie verzamelen, graag met een positieve, nieuwsgierige en onderzoekende houding wilt overleggen waarbij je je gesprekspartner positief tegemoet treedt en uitnodigt om te vertellen. Geef je reden/legitimatie waarom je dat wilt: met een positief onderzoekende houding breng je de gesprekspartner ook in een explorerende, positieve en creatieve stemming waardoor hij veel gedetailleerdere informatie kan geven en zijn visie goed uiteen kan zetten.
Wat voor tip zou jij deze leidinggevende geven?

Met mijn tips blokkeer ik jouw gedachtegang

We kunnen niet twee dingen tegelijk. Als we twee stukjes input krijgen, schenken we aan één daarvan onze aandacht. Als we aan het nadenken zijn en we krijgen een vraag die aansluit bij onze gedachtegang, dan kunnen we doordenken. Krijgen we, terwijl we aan het nadenken zijn, een tip dan stagneert onze eigen gedachtegang en gaan we aandacht besteden aan de tip. Iemand in onze opleiding progressiegericht coachen verwoordde deze ervaring zo:”Ik realiseer me dat met een verkeerde vraagstelling of met een advies, de gedachtegang van de cliënt blokkeert”.
In een andere groep vorige week oefenden we met lastige uitingen. Eén van die uitingen was dat een cliënt op een gevraagd of ongevraagd advies van de coach zegt:”Daar kan ik helemaal niks mee!” De deelnemers in deze groep zaten vaak in een context waarin ze om advies werd gevraagd of waarin ze als experts adviezen te binnen schoten. Als de cliënt zegt:” Daar kan ik helemaal niks mee!”, dan was er al iets mis gegaan in de manier waarop het advies was gegeven, zo realiseerden de deelnemers zich. Maar wat kun je doen om weer aan te sluiten bij de cliënt op dit punt in het gesprek? We oefenden met diverse progressiegerichte reacties, die allemaal gebaseerd waren op de volgende uitgangspunten:
1. Aansluiten bij het perspectief van de cliënt
2. Opnieuw respecteren van de autonomie aan de cliënt
3. Onderzoeken van het perspectief van de cliënt
4. Sturen op een nuttig vervolg voor de cliënt

Wat doe jij om je impulsen te beheersen?

Zelf discipline is geassocieerd met vele voordelen. Zoals betere relaties met anderen, beter kunnen aansluiten op de sociale context, beter presteren en lange termijn doelen bereiken. Maar verlies je dan niet je spontaniteit? Zijn mensen met veel zelf discipline niet saai, rigide en horkerig? Het blijkt dat mensen met veel zelf discipline juist degenen zijn die het meest sociaal zijn. Ze hebben namelijk geleerd om hun impulsen te beheersen en goede relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden, ze kunnen hun agressie beteugelen en hun behoeften uitstellen en zich aanpassen aan de sociale context waarin ze verkeren.
Zelf discipline is een vaardigheid, die het product is van socialisatie en die je kan helpen als je begeerlijke doelen die op lange termijn spelen wilt bereiken. De boodschap is “Je hoeft niet te reageren op de eerste impuls die je in je voelt opkomen, vooral niet wanneer toegeven aan de impuls het minder waarschijnlijk maakt dat je je langere termijn doelen zult bereiken.”
Er is een simpele mentale ombuigingstechniek die door iedereen ongeacht je leeftijd ingezet kan worden werkt versterkend voor je zelf discipline. We zijn in staat om onze sensorische ervaringen om te zetten in gedachten. Dat kunnen we goed gebruiken als mentale ombuigingstechniek. Een voorbeeld is het bekende marshmallow experiment. Tegen kinderen werd gezegd dat ze die marshmallow die ze daar zagen liggen konden zien als een wolkje, rond en wit als de maan. Door een verleidelijke stimulus te transformeren in je hoofd in een prettige afleiding wordt het effect van hete cognitie (ik wil het NU) omgebogen naar koele cognitie (beredeneren en verwerken van informatie).
Een andere manier om verleidingen te weerstaan is een implementatie-intentie formuleren. “Als mij een sigaret wordt aangeboden zeg ik nee dank je..”
Wat doe jij om je impulsen te beheersen?
 

De CPW- zevenstappen-aanpak van progressiegericht helpen

In 1999 kwam ik in aanraking met de oplossingsgerichte therapie aanpak en in de jaren die volgden ontwikkelden mijn collega Coert Visser en ik de huidige Progressiegerichte Aanpak. De zevenstappen-aanpak van progressiegericht helpen is een van de gespreksstructuren die wij ontwikkelden.

Klik hier om meer te lezen

progressie door intentioneel oefenen

Jaren geleden las ik dit boek: Talent is overrated. En vandaag herlas ik het. Talent is overgewaardeerd, wat top presteerders echt onderscheid van alle anderen is “intentioneel oefenen”.
Dit is wat Geoff Colvin daarover schrijft:
Er is een andere factor dan aangeboren talent die top presteren verklaart. Dat is de factor van intentioneel oefenen. Intentioneel oefenen is anders dan gewoonweg bezig zijn met de activiteit. Telkens opnieuw de activiteit doen hoeft niet te leiden tot beter gaan presteren. Want als je de activiteit telkens fout doet, slijten je fouten juist steeds dieper in. Intentioneel oefenen verschilt van gedachteloos oefenen op meerdere manieren. Bij intentioneel oefenen oefen je in je leerzone. De leerzone is de zone waar je vaardigheden net buiten je bereik liggen. Je doet niet wat je al gemakkelijk afgaat (je comfortabele zone) en ook niet wat veel te hoog gegrepen is (je paniek zone), maar je oefent een veeleisende taak die je nog net niet kan. Dit oefen je 1,5 tot 5 uur per dag. Dat oefenen van die vaardigheid die net buiten je bereik ligt pak je mentaal heel bewust aan.
Hoe je dat doet? Daar zijn drie modellen voor. Het eerste model heet het muziekmodel. Als je met het muziekmodel oefent doe je dat zo:

  1. je kiest de activiteit
  2. je deelt de activiteit op in deelactiviteiten
  3. je bepaalt wat belangrijk is in elk van die deelactiviteiten. Wat maakt het verschil in elk van de deelactiviteiten tussen matig en goed presteren?
  4. je oefent elke deelactiviteit. Je zorgt dat je uitvoering observeerbaar wordt, bijvoorbeeld door het op te nemen op video of door een mentor je te laten observeren
  5. je analyseert wat je hebt geoefend door je prestatie te vergelijken met een maatstaf en identificeert je fouten

Een tweede model van intentioneel oefenen is het schaakmodel. Het schaakmodel gaat zo:

  1. ga uit van een case
  2. bedenk hoe je in deze case goed zou kunnen acteren
  3. vergelijk je eigen acties met die van een meester in het veld
  4. als jouw acties afwijken van die van de meester, onderzoek dan waarom dat zo is en welke actie beter is

Een derde model van intentioneel oefenen is het sportmodel. Het sportmodel gaat zo:

  1. conditioneer je basisvaardigheden. Je krijgt door conditionering van je basisvaardigheden geen nieuwe vaardigheden maar je versterkt je bestaande vaardigheden. Dit kun je doen door terug te keren naar je oude studieboeken of naar de basisinformatie die je kreeg toen je startte met je activiteit. Zo haal je oude kennis op.
  2. gerichte simulatie. Plaats jezelf in een hypothetische situatie en oefen hoe je zou reageren in die situatie. Door zo te oefenen leer je jezelf te reageren op onvoorspelbare gebeurtenissen.

Om zo intentioneel te oefenen heb je zelfregulatie nodig. Hoe kun je jezelf reguleren tijdens het oefenen?

  1. zelfregulatie voor het oefenen gaat zo: formuleer je doelen in procesmatige termen in plaats van in resultaatgerichte termen. Een voorbeeld: ik wil dat mijn client zich begrepen voelt (procesdoel) in plaats van ik wil dat deze client een 8 geeft voor mijn coaching en ik ga dat proberen te bereiken door samen te vatten in de woorden van de client (in plaats van ik ga proberen een goede coach te zijn).
  2. zelfregulatie tijdens het oefenen gaat zo: observeer jezelf terwijl je aan het werk bent. Doe aan metacognitie. Dat wil zeggen dat je jezelf tijdens je werk observeert en checkt of je de goede kant aan het opgaan bent en zo niet wat je moet veranderen. In een coachingsgesprek analyseer je bijvoorbeeld of je goed aan het aansluiten bent bij je client
  3. zelfregulatie na het oefenen gaat zo: beoordeel jezelf tegen de maatstaf die relevant is voor wat je wilt bereiken. Kies bijvoorbeeld een maatstaf als de beste in je vakgebied, je beste eigen prestatie of de prestatie van een concurrent. Als je zo evalueert zul je fouten ontdekken in plaats van dat je alleen concludeert dat je het goed, slecht of ok hebt gedaan. Benader die fouten met het idee dat ze onder je controle zijn. Wat deed je zelf fout? Omdat je zo specifiek bent in wat je wilt leren in procesgerichte termen, kun je ook goed aanwijzen welk deel van het proces je niet goed deed. Daardoor ligt de fout binnen je invloedssfeer in plaats van dat het buiten je ligt en je machteloos bent (het ligt aan het weer of aan de scheidsrechter etc.). Pas vervolgens je gedrag aan om je fout te verbeteren.

Naast het intentioneel oefenen van een vaardigheid is ook het verdiepen van je kennis belangrijk voor top presteren. Je kunt je kennis verdiepen door op zoek te gaan naar relevante informatie in je vakgebied. Toppresteerders hebben veel, hoog ontwikkelde complexe mentale modellen van hun vakgebied. Dit draagt op drie manieren bij aan top prestaties:

  1. een mentaal model vormt het framework waar je je groeiende kennis aan ophangt, waardoor je meer onthoudt. Toppresteerders hebben niet een aangeboren beter geheugen, maar hebben complexe mentale modellen waardoor hun kennis geen losstaande data zijn maar passen in een samenhangend geheel. Daardoor zijn de feiten beter te onthouden.
  2. een mentaal model helpt je om irrelevante informatie te onderscheiden van relevante informatie.
  3. een mentaal model helpt je om te projecteren wat er zal gaan gebeuren. Daardoor kun je je acties beter afstemmen op wat je al aan ziet komen dat er gaat gebeuren.

Het resultaat van intentioneel oefenen is dat je meer gaat waarnemen, meer kennis krijgt, meer onthoudt. Dat is te zien in je brein en je lichaam. In je brein is het te zien aan het opgebouwde laagje myeline rondom de zenuwvezels en de neuronen. Daardoor werkt het gebied van de hersenen dat actief is tijdens het uitoefenen van je activiteit beter, sneller en complexer. Uiteindelijk is na duizenden uren van intentioneel oefenen top presteren mogelijk. Maar ook zonder die duizenden uren te oefenen en zonder het top niveau te bereiken, helpt zo nu en dan intentioneel oefenen je al met beter te worden in wat je doet.