Naast de vraag ‘wat heb jij nodig?’ stellen deelnemers tijdens de deliberate practice oefeningen in onze trainingen ook vaak de vraag ‘wat doet dat met jou?’. Hier kun je overwegingen lezen bij de ‘wat heb je nodig-vraag’. In dit stukje neem ik de ‘wat doet dat met jou-vraag’ onder de loep.

Wat doet dat met jou?

Waar de vraag naar wat iemand nodig heeft in bepaalde situaties prima werkt, ben ik wat kritischer over de vraag ‘wat doet dat met jou?’ Deze vraag nodigt mensen uit om te gaan antwoorden in termen van hun emotionele reacties op gebeurtenissen. Het suggereert ook dat deze reacties mensen overkomt. Er is iets in de omgeving dat een emotionele reactie bij die persoon triggert. Ik denk dat dit een door de coach gekozen wending aanbrengt in het gesprek, waaraan de cliënt weinig zal hebben.

Emoties versterken

Door een bepaalde emotie onder woorden te brengen, versterk je diezelfde emotie. Dus als iemand antwoordt ‘ik word er heel boos van’, dan word die persoon nog bozer. Of verdrietiger. Of eenzamer. Daarmee focust die persoon op zijn interne staat en dat leidt sneller tot stagnatie dan tot progressie. Hij voelt de emotie die hij onder woorden brengt sterker en zijn aandacht gaat naar die emotie. Dat komt doordat hij de vraag ‘wat doet dat met jou?’ beantwoordt. Een vraag die hem geen ideeen voor progressie oplevert, maar hem doet stilstaan bij zijn gevoelens. In veel gevallen zijn dat negatieve gevoelens. De vraag werkt dan probleeminducerend; de persoon krijgt een extra probleem, namelijk zijn problematische gevoelens waarover hij moet praten omdat de vraag hem is gesteld.

Geconstrueerde emoties

Emoties worden geconstrueerd, ze worden niet getriggerd, zo legt Feldman-Barrett uit. Ik vind haar redenering interessant en vooralsnog best aannemelijk. Dat betekent dat de vraag ‘wat doet dat met jou?’ die suggereert dat er sprake is van een getriggerde emotie, die de persoon overkomt, eigenlijk leidt tot het construeren van een emotie. De persoon gaat een emotie construeren, maar denkt dat dit een emotie is die hem overkomt door de situatie waarin hij zit. Als het al de bedoeling van de coach is om de cliënt een emotie te laten construeren, dan zou ik er eerder voor kiezen om die emotie progressiegericht te maken. Dan zou de vraag ‘hoe zou je je willen voelen?’ daarvoor effectiever zijn dan de vraag ‘wat doet dat met jou’.

Opener vragen

Maar de vraag ‘hoe zou je je willen voelen‘ focust de cliënt nog steeds op zijn emoties en daarmee maakt de coach de selectie dat het over gevoelens moet gaan. Hoe je je voelt is een indicatie van hoe je je aan het gedragen bent. Gedraag je je anders, dan voel je je anders. Denk je anders, dan voel je je anders. In plaats van te vragen naar gevoelens, kun je opener vragen stellen, waarmee de cliënt meer kanten op kan dan te focussen op hoe hij zich voelt. Bijvoorbeeld de vraag ‘wat zijn je gedachten hierover?’ of de vraag ‘hoe heb je er last van?’ of de vraag ‘hoe is dit een probleem voor je?’ of de vraag ‘wat zou je willen bereiken?’ om er maar een paar te noemen. Cliënten kunnen nu zelf kiezen in welke termen ze antwoord geven. Kiest de cliënt ervoor over zijn gevoelens te willen praten, dan wijst de coach dat natuurlijk niet af en sluit hij er op aan. Maar het is geen must om over je gevoelens te praten in een progressiegericht gesprek.

Positieve gedragsbeschrijvingen

Wat wel in elk progressiegericht gesprek gebeurt, is praten over positief gedrag. Progressiegerichte coaches vragen net zo lang door, tot de cliënt antwoord heeft gegeven in termen van zijn eigen positieve gedrag in de gewenste toekomst en in het betere verleden. Door die positieve gedragsbeschrijvingen voelt de cliënt zich competenter worden om dit gedrag te gaan doen/herhalen. Zijn motivatie om het te gaan doen neemt er door toe; hij ziet het zichzelf doen en hij beschrijft wat het voor goeds oplevert als hij dit doet.