Trots: beter presteren of agressie?

Trots: leidt het tot beter presteren of tot agressie? Als je je trots voelt, dan kan dat ertoe leiden dat je beter gaat presteren maar het kan er ook toe leiden dat je je agressiever gaat gedragen. Hoe werkt dat?

Trots: leidt het tot beter presteren of tot agressie? Als je je trots voelt, dan kan dat ertoe leiden dat je beter gaat presteren maar het kan er ook toe leiden dat je je agressiever gaat gedragen. Hoe werkt dat?
Sinds een paar maanden starten we onze vergaderingen met een rondje successen vieren, vertelde een manager mij laatst. Maar, zo vervolgde hij, het werkt niet. Het lijkt meer en meer op een rondje pochen, waaraan sommigen wel meedoen en anderen niet.Klik hier om meer te lezen
Jongeren ouder dan 16 jaar die nog geen opleiding hebben gevolgd toch met een diploma van school laten gaan. Dat is het centrale doel van de Entree Opleidingen, waaraan bij Zadkine Startcollege alle activiteiten met studenten moeten bijdragen. Daartoe werkt Startcollege onder andere met het concept ‘klas als werkplaats’. Vandaag vond een mini- symposium plaats georganiseerd door het Zadkine Startcollege. Het symposium was getiteld: Kansen voor speciale doelgroepen op het MBO zoals jongeren met een stoornis in het autistisch spectrum. Aanpak en resultaten. In dit mini-symposium werd duidelijk dat de aanpak van Startcollege tot veelbelovende resultaten leidt.
De hoofdpunten van die aanpak zijn:
• een vriendelijke en tegelijkertijd vasthoudende focus op aanwezigheid van studenten
• relatief kleine klassen
• een klassenlokaal-indeling die is afgestemd op de behoeften van de leerlingen die in die specifieke klas zitten
• een persoonlijke relatie met een klassenbegeleider en een mentor die maatwerkhulp organiseert als dat nodig is
• een klassensamenstelling van studenten die dezelfde soort ondersteuningsbehoefte hebben (bijvoorbeeld een klas met jonge moeders, een structuurklas)
• de vaardigheden die werkgevers willen zien willen ze een leerling een stageplek bieden, direct bij de start van de student op het Zadkine hanteren als beginpunt voor het onderwijs
• progressiegerichte gespreksvoering met studenten en ouders en werkgevers
Inspirerend was het enthousiasme, de betrokkenheid en de effectieve aanpak van de begeleiders van de structuurklas, Lucille van As en Anita Timmermans. Dat is een klas waarin studenten met een stoornis in het autistisch spectrum zitten, oftewel een klas waarin leerlingen zitten die behoefte hebben aan een duidelijke structuur. Twee leerlingen uit deze klas hadden de moed om voor de welgevulde zaal iets te vertellen over hun studie, hun werk (!) en hoe het nu met ze gaat. Van één van die studenten was de moeder aanwezig, die iets kwijt wilde wat op de zaal indruk maakte. Ze maakte zich al jaren zorgen over haar zoon, want het lukte allemaal niet goed op school, hij was erg teruggetrokken en verlegen. Toen hoorde ze van autisme en ze vreesde dat er iets heel ernstigs aan de hand was met haar zoon. Het was tobben en worstelen voor zowel haar zoon als haarzelf. Ze was somber over zijn toekomstmogelijkheden. En toen kwam haar zoon in de structuurklas van Startcollege. Nog geen jaar later loopt hij stage bij de Gamma, gaat het goed met hem op school, heeft hij veel bijgeleerd en durft hij voor een volle zaal zijn verhaal te doen. Zijn moeder schoot vol en zei:”Dat er nu iemand is die trots is op mijn zoon, dat jullie hier nu trots zijn op mijn zoon, ik had het nooit gedacht….!”
Deze week kwam ik hem weer tegen: de bewering dat meer dan 90% van wat mensen begrijpen als iemand een presentatie geeft, wordt bepaald door onze non-verbale communicatie, gezichtsexpressie en onze intonatie. Dus minder dan 10% van wat mensen begrijpen als wij praten en presenteren komt door de woorden en de inhoud van wat we vertellen, zo luidt de redenering.
Als je deze redenering volgt, dan is het logisch dat als je een presentatie voorbereidt en geeft, je enorm veel tijd besteedt aan het nadenken over hoe je eruit ziet, je non-verbale communicatie, hoe mooi je slides eruit zien en je intonatie. Immers, dat is wat de meeste aandacht trekt van je publiek: hoe je eruit ziet, hoe je staat, hoe levendig of saai je gezichtsuitdrukkingen zijn, welke handgebaren je maakt, hoe melodieus of monotoon je klinkt en ga zo maar door. Deze bewering wordt dan onderbouwd met de naam van de onderzoeker Albert Mehrabian.
Alleen…Mehrabian heeft dit nooit gezegd en nooit bedoeld. Zie ook wat hij daar over zegt op zijn website en in zijn boek. Mehrabian ontdekte dat wanneer wat je zegt (je inhoud, je woorden) niet overeenkomt met wat je echt denkt (je attitude) en voelt (je gevoelens), mensen meer geneigd zijn om af te gaan op je non-verbale uitingen en je intonatie.
Dus als een kind aan een ouder vraagt:’mag ik vandaag gaan zwemmen?’ en de ouder antwoord met een frons en een intonatie die kortaf klinkt en naar beneden gaat:’misschien’, dan concludeert het kind eerder dat het antwoord ‘nee’ is dan ‘misschien’. De gezichtsuitdrukking en de intonatie zijn dan bepalender voor wat het kind begrijpt dan de woorden.
Kortom; als je tips wilt geven hoe mensen hun presentaties beter kunnen maken, dan is het vooral belangrijk om goed in te zoomen op de inhoud van wat ze vertellen en ervoor te zorgen dat hun woorden congruent zijn met wat ze echt denken en voelen. Want als dat wat je zegt congruent is met dat wat je voelt en wat je denkt, dan begrijpen mensen je boodschap zoals je die bedoelt.
Hier kon je vijf tips vinden om anders te gaan kijken naar je negatieve collega. Naast dat je zelf anders naar je collega, jezelf en jullie situatie kunt gaan kijken, kun je ook een aantal progressiegerichte (gespreks-)technieken inzetten. Hier zijn voorbeelden van progressiegerichte technieken die je kunt inzetten:Klik hier om meer te lezen

De afgelopen weken vertelden meerdere deelnemers in mijn trainingen dat ze gebukt gingen onder negatieve collega’s. Collega’s die klagen, die overal problemen zien, die zeuren, die kritiek hebben, negatieve oordelen en die pessimistisch zijn. Omdat emoties erg besmettelijk zijn, voel je je zelf al snel somber worden als je collega zijn negatieve emoties uit. Hoe kun je progressiegericht kijken naar negatieve uitingen? Hier zijn tips.
Replicatiestudies zelf onjuist? In 2017 claimde een groep van 270 wetenschappers, die zichzelf de Open Science Collaboration noemen, dat ze hadden geprobeerd om 100 psychologische studies te repliceren en dat dit in meer dan de helft van de gevallen niet was gelukt. Het deed veel stof opwaaien en er ontstond een replicatie-crisis in de psychologie. Veel twijfels over de kwaliteit van psychologisch onderzoek en over wat we kunnen geloven van de onderzoeksresultaten van veel psychologisch onderzoek.
Klik hier om meer te lezen
Jeffrey Bowers schreef een artikel waarin hij stelt dat neurowetenschappers wel veel kunnen leren van docenten, maar dat neurowetenschap geen praktische voordelen biedt voor docenten. Neurowetenschap kan het lesgeven in de klas volgens Bowers namelijk niet verbeteren. Het is makkelijker om de cognitieve capaciteiten van kinderen in te schatten op basis van hun gedrag, dan op basis van hun breinactiviteit. Daarom biedt neurowetenschap niet meer of beter inzicht in hoe je het beste je lesinstructies kan geven dan psychologische inzichten. Daarnaast wordt algemeen aangenomen dat je bij leerproblemen in je instructie moet inspelen op de beschadigde vaardigheden, de onderliggende deficieten bij het kind. En dat neurowetenschap je kan helpen om te zien waar die deficieten in het brein plaatsvinden. Maar het is soms beter om je instructie af te stemmen op de onbeschadigde vaardigheden, op wat het kind wel begrijpt, en om dat te gebruiken als opstap voor het kind om te leren wat het nu niet kan. Neurowetenschap kan je niet helpen om te weten of je instructie zich beter kan richten op de beschadigde of op de niet-beschadigde vaardigheden. En uiteindelijk is er maar 1 ding dat telt: het gedrag van het kind, is dat aan het verbeteren naar aanleiding van je instructies of niet? Als het kind leert is dat vervolgens te zien in het brein. Dat is interessant voor neurowetenschappers. Onderwijzers kunnen neurowetenschappers dus helpen in plaats van andersom.
Dit weekend las ik het nieuwe boek van Oliver James, Not in your Genes, uit. Omdat zijn boek een enorme hoeveelheid casebeschrijvingen bevat, was dat soms wel doorbijten. James pleit ervoor dat studenten in medische studies veel meer informatie krijgen over de invloed die de omgevingsfactoren hebben op hoe mensen zich ontwikkelen. Hij vindt dat de assumptie dat onze genen verklaren wie we zijn en wat we bereiken is gebaseerd op drijfzand. Ook stelt hij dat we er klakkeloos van uit gaan dat onze genen verklaren waarom familieleden op elkaar lijken (qua persoonlijkheid, mentale ziektes, vaardigheden, intelligentie), terwijl het net zo goed kan zijn dat de manier van opvoeden en de gezamenlijke omgeving de verklarende factor zijn.
Wat me aanspreekt in zijn boek is dat hij de lezer aan het denken zet. Gezond verstand zegt ons dat we de oorzaak voor de overeenkomsten en verschillen tussen familieleden natuurlijk kunnen vinden in de genen. Maar James zet een krachtige boodschap tegenover dit gezond verstand en geeft een alternatieve verklaring. De manier waarop we onze kinderen opvoeden lijkt bijvoorbeeld vaak erg op hoe we zelf zijn opgevoed en dat verklaart waarom familieleden zo op elkaar lijken.
Als je in zijn verklaring stapt, dan krijg je als ouder opeens veel meer beïnvloedingsmogelijkheden om het goed te laten gaan met je kind, dan wanneer je ervan uitgaat dat je kind nu eenmaal bv een geestelijke ziekte heeft vanwege zijn genen. Of je een dergelijke boodschap ziet als beschuldiging aan het adres van ouders (je hebt de geestelijke ziekte van je kind veroorzaakt) of een hoopvolle boodschap dat ouders kunnen zorgen voor geestelijke gezondheid bij hun kinderen hangt af van je perspectief.
Wat me niet aanspreekt in het boek is dat ik James’ redenering niet sluitend vind. Het klinkt mij in de oren dat James zo redeneert: omdat we niet kunnen bewijzen dat onze genen bepalend zijn voor wat we bereiken, of we arm of rijk worden, hoe intelligent we worden, welke persoonlijkheid we ontwikkelen en welke mentale ziektes we ontwikkelen, moet onze opvoeding de bepalende factor zijn. Dat is volgens mij geen sluitende redenering, omdat het verwerpen van de hypothese dat genen doorslaggevend zijn niet automatisch betekent dat dus de omgeving en de opvoeding doorslaggevend zijn. Hij haalt zijn bewijs voor die stelling uit zijn jarenlange ervaring als psychotherapeut. Dat ‘bewijs’ is vooral anekdotisch.
De redenering dat de opvoeding en de omgeving zorgen voor epigenetische processen, waarbij dus zowel de genen als de invloed van de omgeving in een complex samenspel zorgen voor hoe iemand wordt, klinkt mij genuanceerder in de oren. James stelt dat omdat we tot op heden de verschillen en overeenkomsten in persoonlijkheid, intelligentie, mentale ziektes en prestatieniveaus tussen mensen niet hebben kunnen verklaren aan de hand van de genen, we de hypothese moeten verwerpen dat genen ook maar iets te maken hebben met die verschillen en overeenkomsten. Hij verwerpt ook dat epigenetische processen een bepalende rol spelen in hoe mensen worden. Wat hem betreft hebben onze genen geen enkele doorslaggevende rol en ook epigenetica niet. Dat zou best waar kunnen zijn. Maar op basis van dit boek kan ik zijn hypothese niet omarmen.
De bijlagen in het boek zijn interessant om te lezen. Een ervan gaat over de tweelingstudies. Een tweelingstudie vergelijkt de mate van overeenkomsten tussen identieke tweelingen en niet identieke tweelingen van hetzelfde geslacht. Als de identieke tweelingen meer overeenkomsten hebben dan de niet identieke tweelingen dan wordt dit gezien als bewijs voor de bepalende factor die genen spelen in hoe mensen zijn. James stelt dat een groot probleem bij de onderzoeksresultaten van tweelingstudies is dat men de assumptie hanteert van gelijke omgevingen. De onderzoekers gaan ervan uit dat de omgeving van de twee soorten tweelingen niet significant verschillen en dat daarom verschillen in de mate van overeenkomst tussen eeneiige tweelingen en twee-eiige tweelingen moet worden toegeschreven aan hun genen. Maar dat klopt niet. Eeneiige tweelingen en twee-eiige tweelingen worden niet hetzelfde behandeld. Eeneiige tweelingen worden veel meer hetzelfde behandeld dan twee-eiige tweelingen. Eeneiige tweelingen zien er hetzelfde uit en het uiterlijk van mensen speelt een grote rol in hoe ze worden behandeld door anderen. Mensen die aantrekkelijk zijn roepen een andere reactie op dan onaantrekkelijke mensen. Dus identieke tweelingen roepen dezelfde soort reacties op in anderen en twee-eiige tweelingen niet. Daarmee leveren tweelingstudies dus geen bewijs dat genen de oorzaak zijn voor hoe mensen zijn en worden.
Als je houdt van een schrijfstijl vol anekdotes en verhalen en casuïstiek en van krachtige stellingnames, dan is dit boek beslist een aanrader
Momenteel lees ik het nieuwe boek van Oliver James, Not in your genes, the real reason children are like their parents. Het boek heeft al een pittig kritische recensie gekregen, wat ik intrigerend vond vanwege de stellige toon waarmee de conclusies van James worden afgekraakt: alles is fout en hij leeft op een andere planeet dan de rest van de wereld.
Tot wat voor soort conclusies komt Oliver James?
Hier zijn er een paar, in zijn hoofdstuk “It’s the environment, stupid!” samengevat en vertaald:
1. Genen verklaren niet waarom sommige mensen rijk zijn en andere mensen arm. Als genen dit niet verklaren, dan kunnen we een samenleving opbouwen waarin geen armoede is. Met de juiste opvoeding en een ondersteunende samenleving kunnen kinderen van nu arme ouders goed presteren op school en net zulke succesvolle carrières opbouwen als kinderen van nu rijke ouders.
2. Genen verklaren niet waarom sommige mensen topprestaties bereiken en anderen niet. Als genen dit niet verklaren dan kan elk van ons goed leren presteren. als we daarvan uitgaan, dan kunnen we een schoolsysteem ontwikkelen dat daar van uit gaat en waarin alle kinderen kunnen floreren en goed presteren.
3. Genen verklaren niet waarom sommige mensen een geestelijke ziekte krijgen en anderen niet. In dit boek heb ik een overweldigende massa aan bewijs gegeven dat de combinatie van hoe we in onze jonge jaren worden behandeld en opgevoed en in welke samenleving we leven de belangrijkste verklarende factor is waarom mensen geestelijke ziektes ontwikkelen. Als we onze opvoeding en onze samenleving verbeteren dan kunnen we geestelijke ziektes dus grotendeels voorkomen.
4. Genen verklaren onze individuele psychologie niet. Dus genetische tests om onze persoonlijkheidskenmerken (traits) te achterhalen zijn verspilling van geld en moeite. Geadopteerde kinderen doen er beter aan goed te kijken naar hoe ze door hun opvoeders zijn opgevoed als ze willen begrijpen waarom ze zijn zoals ze zijn, in plaats van op zoek te gaan naar hun genetische ouders om te leren begrijpen waarom ze bepaalde persoonlijkheidstrekjes hebben.
5. We moeten stoppen met de vele onjuiste verklaringen in de media, waar bijna sprake is van een genenreligie. Onderzoekspublicaties zoals ‘no genetics influence for childhood behaviour problems from DNA analysis‘ worden actief genegeerd door de BBC. De farmaceutische industrie heeft de media succesvol overtuigd dat geestelijke ziektes (en intelligentie) moeten worden begrepen vanuit genetische overerfbaarheid. Dat is bizar, omdat de onderzoeksresultaten vrijwel compleet het tegenovergestelde aantonen.
Ik ga met interesse verder lezen en denk dat dit boek me wel aanleiding zal geven er nog eens iets over te schrijven.