Search results for: Schaalvraag

Het werkt (niet)!

Het werkt (niet)! Wanneer deelnemers aan onze trainingen de progressiegerichte interventies in de praktijk gaan uitproberen en toepassen horen we vaak enthousiaste reacties: het werkt! Soms horen we ook: het werkt niet! Deze bijdrage behandelt vijf redenen waarom de progressiegerichte interventies werken of niet werken.

Klik hier om meer te lezen

Progressiegericht coachen

Progressiegericht coachen helpt de cliënt vooruit in de richting van zijn zelfgekozen doelen. De CPW 7-stappenaanpak geven een logische volgorde van vragen in een progressiegericht coachingsgesprek. De aanpak is in 2003 voor het eerst door ons beschreven, gebaseerd op succesvolle coachingsgesprekken. De 7 stappen bieden structuur, maar dat wil niet zeggen dat ze dwingend gevolgd moeten worden wil een coachingsgesprek progressiegericht genoemd kunnen worden.

Klik hier om meer te lezen

Wat is het verschil tussen progressiegericht werken en oplossingsgericht werken?

Hoewel de meeste mensen die onze nieuwsbrieven en boeken volgen al lange tijd weten dat onze aanpak progressiegericht werken heet, krijgen we zo nu en dan nog wel eens de vraag van iemand die ons niet zo nauw heeft gevolgd: ‘wat is het verschil tussen oplossingsgericht werken en progressiegericht werken?’

Klik hier om meer te lezen

Fluctuaties in weten wat je wilt: de processchaal

Net als hoop in meerdere of mindere mate aanwezig kan zijn bij een cliënt, kan het gevoel op de juiste koers te zijn ook fluctueren. Het ene moment rapporteert de cliënt dat hij goed op weg is en het volgende moment slaat de twijfel weer toe. Doe ik de juiste dingen? Ben ik de juiste keuzes aan het maken? Doe ik wel wat werkt? Hoe weet ik dan of het goed werkt of niet? Ik gebruik een schaalvraag die aansluit op die fluctuaties door niet zozeer het beoogde resultaat van de verandering maar het proces van de verandering centraal te stellen. De processchaal, heet die schaal. Die schaalvraag ziet er dan zo uit
Op een schaal van 0 tot 10, waarbij 10 staat voor “ik weet dat ik op de goede weg ben”, waar sta je nu? Wat is je al helder? Welke informatie heb je al die je zegt of je op de goede weg bent? Wat zit er al in dat cijfer? Hoe heb je dit cijfer al bereikt? Wat is het hoogste dat je al eens hebt gestaan op die schaal? Wat was er toen duidelijk voor je? Waaraan zou je merken dat je een stapje hoger zou staan op de schaal? Wat is er dan helderder? Wat weet je dan al meer? Welke kleine stap zou je kunnen zetten om nog iets meer te weten te komen of je op de goede weg bent?
De eerste twee vragen helpen om het platform te beschrijven: dit is er allemaal al. Dit zit er al in het cijfer en zo heb ik dat al bereikt. De derde en vierde vraag  helpt om eerdere successen en positieve uitzonderingen op het probleem (de twijfels) te verkennen: dit is het hoogste dat ik al eens stond en dit was er toen duidelijker voor me. De vijfde, zesde en zevende vraag helpen om een klein beetje progressie te visualiseren: wat is er helderder als ik 1 stapje hoger sta, wat weet ik dan beter dan nu? En de laatste vraag helpt om iets te gaan doen om een stapje voorwaarts te maken: een stapje dat helpt om iets beter te weten te komen of je op de goede weg bent.
 

Wat kun je doen als mensen voelen dat progressiegericht werken een trucje wordt?

Deze vraag stelde een groep me laatst. Ze dachten aan een voorbeeld waarin de professional de schaalvraag wil stellen, terwijl de cliënt die schaalvraag al kent. Of aan situaties waarin de professional zelf het gevoel krijgt trucjes toe te passen. Hier zijn zes overwegingen wat je kunt doen om te zorgen dat je progressiegerichte interventies oprecht en authentiek zijn en overkomen:
1. verdiep je in de overtuigingen die ten grondslag liggen aan de aanpak: de professional kan zorgen dat mensen niet gaan voelen dat progressiegericht werken een trucje wordt door het geen trucje te laten zijn. Als de professional ten diepste gelooft in de progressiegerichte overtuigingen, dan komen de progressiegerichte interventies echt en authentiek over. Grondige kennis van de overtuigingen die ten grondslag liggen aan de schaalvraag en alle andere interventies en het oprecht geloven in deze overtuigingen helpen daarbij.
2. zorg dat wat je denkt en wat je zegt congruent is: door hetzelfde te denken als wat je zegt, komt de professional authentiek en oprecht over. Als de professional denkt:”Deze cliënt heeft vast een goede reden om te zeggen wat hij nu zegt, ik wil het graag goed begrijpen”, dan komt de vraag die de professional vervolgens stelt automatisch onderzoekend en uitnodigend en echt over.
3. wees transparant: zorg dat je op elk moment kunt uitleggen waarom je doet wat je doet. Als je de schaalvraag wil stellen en de cliënt kent die schaalvraag al, vraag dan mandaat (“Je kent de schaalvraag he, is het een idee om die eens toe te passen op waar je nu mee bezig bent?”)
4. sluit aan bij je gesprekspartner: als je aansluit bij het perspectief van je cliënt, kom je niet over alsof je een trucje toepast. Als je aansluit bij het perspectief van de cliënt, is er een gezamenlijke focus op progressie voor de cliënt en dan is er geen ruimte of aandacht bij professional en cliënt voor iets anders dan dat. Als de cliënt bijvoorbeeld in antwoord op je samenvatting geïrriteerd zegt:”Ja, dat zei ik toch net…”, dan is dat een signaal dat je niet goed aansluit bij het perspectief van de cliënt (die op dat moment geen samenvatting van je wilde) en kun je jezelf corrigeren door weer aan te sluiten bij diens perspectief.
5. verontschuldig je en zorg dat je weer echt bent: we zijn allemaal mensen en soms is de progressiegerichte professional misschien niet zo goed in vorm en is zijn interventie inderdaad een trucje. In dat geval is zelfcorrectie belangrijk. Bijvoorbeeld door de intervaltechniek in te zetten (“Sorry, ik merk dat niet helemaal op de juiste weg ben, ik zou graag even pauze houden zodat ik goed kan nadenken over wat ik eigenlijk aan je zou willen vragen”). Of bijvoorbeeld door de cliënt weer aan het roer te zetten:”Sorry, ik ben even in de war….hoe zouden we dit gesprek wat jou betreft zo nuttig mogelijk kunnen voortzetten?”
6. wees bereid om de interactie te stoppen: als de cliënt je verdenkt van het toepassen van trucjes, niet kan geloven dat je echt en authentiek bent en niet bereid is om een progressiegerichte interactie met je aan te gaan (“Ja, ja, ik snap wel dat jij dat moet zeggen, maar we zijn nu onder ons, dus doe nou maar even normaal…”) en je wilt vasthouden aan de progressiegerichte aanpak omdat je daarin gelooft, wees dan bereid om de interactie te stoppen.