meaningIn het boek Meaning, Mortality and Choice, the social psychology of existential concerns, is een aantal hoofdstukken gewijd aan de zelfdeterminatie theorie. Ryan, Deci, Legate en Niemec schreven een hoofdstuk getiteld ‘beyond illusions and defense: exploring the possibilities and limits of human autonomy and responsibility through self determination theory’. Ze beginnen dit hoofdstuk met een krachtige stellingname tegen een bepaalde manier van denken onder sociaal psychologen en tegen bepaalde interpretaties van experimentele sociale psychologie.

Dit is wat ze er, vrije vertaald en samengevat, over zeggen:

Als we in de spiegel kijken van de hedendaagse experimentele sociale psychologie, dan zou de reflectie zeer bedroevend zijn. We zouden een angstig, zwak, defensief en onbewust gedreven dier zien dat lijdt aan de illusie dat hij een vrije wil heeft. We zouden wezens zien die worden gedomineerd door impliciete processen, die zich buiten ons bewustzijn afspelen en die mentaal uitgeput raken van de meest eenvoudige zelfregulerende acties. En de vrije wil? Die is op zijn best fragiel en waarschijnlijk niet meer dan een illusie.

Maar als we wat beter kijken naar dit soort conclusies en claims, en we niet te vroeg gaan dansen op het graf van de vrije wil, waarop zijn deze conclusies en claims dan gebaseerd?

Bargh bijvoorbeeld hanteert een definitie van vrije wil waartegen wij veel in te brengen hebben. Als vrije wil wordt gedefinieerd als de capaciteit om keuzes te maken zonder causatie, dus als het ware in een totaal vacuüm, ja dan onderschrijven we dat er geen vrije wil bestaat. Bargh definieert vrije wil als gedachten en beslissingen die noch vanuit het brein, noch vanuit de omgeving voortkomen. Dus vrije wil is alleen vrije wil als er geen veroorzaker van de vrije wil aan te wijzen valt. Er mogen geen voorafgaande cues zijn, geen triggers, geen invloed van buitenaf. Vrije wil moet dan als het ware immaterieel zijn.

Dichtbij deze definitie en gedachtegang liggen de conclusies op basis van de onderzoeken van Libet (2004), waaruit bleek dat er al breinactiviteit te zien is die duidt op een bepaalde handeling voordat er een bewuste gedachte voor die betreffende handeling is. Die onderzoeken zouden dan ‘bewijzen’ dat niet het zelf of de vrije wil bewustzijn ‘veroorzaakt’, maar dat het ‘brein’ dat doet. De auteurs vinden deze redenering flauwekul: moeten we dan verrast zijn dat menselijke intenties worden geïnspireerd vanuit onze geest of door cues van buitenaf? Om een daad van vrije wil te zijn, moet het motief dan ontstaan in immateriële gedachten en niet in je brein of in je lichaam, je onbewuste mijmeringen of zelfs je omgeving?

Als ik ervoor kies om op stap te gaan met mijn vriend, is dat dan alleen een vrije keuze wanneer die vriend mij niet heeft uitgenodigd en het uitsluitend en alleen mijn eigen idee was welke niet te zien was in mijn brein voordat ik hem bewust onder woorden bracht? De auteurs vinden dit een soort redenering die je beter bij het grofvuil kan zetten. Eerdere input is altijd betrokken bij vrije wil of autonome acties, simpelweg omdat mensen zijn verbonden met de wereld om hen heen. Autonoom functioneren is een daad van synthese, niet een van het creëren van intenties die uit de lucht komen vallen.

Het is ook niet nodig dat de vrije wil onafhankelijk is van het brein. Als er breinactiviteit te zien is voordat men bewust kiest, dan heeft het brein het dus gedaan en niet de vrije wil? Wat een aparte manier van denken, zo stellen de auteurs. Ten eerste, wie twijfelt eraan dat autonome handelingen, dus handelingen waar iemand helemaal achter staat, moeten functioneren met een brein? Autonomie staat toch niet los van het organisme. Autonoom functioneren is een bepaalde manier van functioneren van het organisme, net zoals gecontroleerd functioneren dat is. We hebben ons brein, ons cardiovasculaire systeem en nog een paar cruciale organen nodig om te kunnen functioneren, autonoom of gecontroleerd. Het ‘ik’ is geen mysterieuze, immateriële krachtbron die buiten het organisme bestaat, maar in plaats daarvan is ‘ik’ een organisme dat op een geïntegreerde manier functioneert en op die manier zelfregulatie en autonomie kan ervaren.

Kortom: de vrijwillige en zelfregulerende capaciteiten van mensen zijn noodzakelijk om te floreren en groeien en functioneren niet afgesneden van de wereld, hoeven niet in een vacuüm te ontstaan en hebben zowel ons brein als ons lichaam nodig om te kunnen functioneren.

Aan het einde van het hoofdstuk waarschuwen de auteurs voor een veelgemaakte foutieve redenering in experimentele sociale psychologie: de sprong van ‘het kan zo gaan’ naar ‘het gaat altijd zo’. Als we mensen de illusie kunnen geven dat ze iets hebben gedaan uit vrije wil, terwijl we ze feitelijk hebben gemanipuleerd om te doen wat ze deden, is dat dan een bewijs dat geen enkele handeling uit vrije wil kan ontstaan? Dat het in experimenten mogelijk is om mensen dingen te laten doen waarvan ze denken dat ze die zelf gekozen hebben, terwijl ze in feite zijn gemanipuleerd om die betreffende handelingen te doen en ze zich hiervan niet bewust zijn, zegt uitsluitend dat het mogelijk is om mensen ergens in te laten lopen. Ja, mensen kunnen de oorzaken van hun gedrag totaal niet in de gaten hebben, maar dat betekent niet dat alle attributies waarom je je gedraagt zoals je doet onjuist en gemanipuleerd zouden zijn. Experimentele onderzoeksmethoden zijn opgezet om gedrag te manipuleren, om gedrag te controleren. Als die experimenten slagen, dan komen de onderzoekers vaak in de verleiding om te concluderen dat dit soort gedrag altijd plaatsvindt ook buiten de experimentele setting door soortgelijke manipulaties. Dus, omdat mensen zodanig gemanipuleerd werden dat ze de oorzaak van hun gedrag verkeerd inschatten, wil dat zeggen dat mensen nooit correct kunnen zijn over de oorzaken van hun gedrag en dat gedrag al helemaal niet zelf kunnen kiezen. Dat is een denkfout. Van iets dat mensen hebben gedaan in bepaalde condities waarin het doel is om gedrag te manipuleren en controleren, naar de stelling dat als mensen dit gedrag laten zien het altijd gecontroleerd en gemanipuleerd is, buiten het bewustzijn van mensen om.

De conclusie van de auteurs: het feit dat menselijk gedrag zowel gecontroleerd als vrijwillig kan zijn is een aspect van onze existentiële conditie dat we niet kunnen wegredeneren maar alleen kunnen erkennen en kunnen benutten als basis voor authentiek gedrag.