Lisa_1In dit artikel kon je lezen hoe de kwaliteit van je motivatie een effect heeft op je attitude ten aanzien van vooroordelen over groepen mensen die anders zijn dan de groep waartoe jij behoort.

Omdat de motivatie om vooroordelen te reguleren net zozeer draait om het controleren van negatief en vaak automatisch gedrag als om de motivatie om positief gedrag te laten zien (niet bevooroordeeld zijn), is het belangrijk om te focussen op de processen van vooroordeelreductie en zelfregulatie van biases. Stereotiepe beelden en vooroordelen kunnen ons bewustzijn automatisch infiltreren, zelfs als er sprake is van een autonome motivatie om onbevooroordeeld te zijn. Dus is de capaciteit om impliciet je oordelen te kunnen monitoren van cruciaal belang voor de daadwerkelijke reductie van die vooroordelen.

Legault en Amiot beschrijven twee processen waarbij je autonome motivatie de zelfregulatie van het reduceren van je vooroordelen blijkt te bevorderen. Het eerste proces is de automatisering van de regulatie van je vooroordelen en de tweede is een neurofysiologisch proces dat optreedt als je daadwerkelijke gedrag afwijkt van je gewenste gedrag.

  1. De automatisering van regulatie van je vooroordelen

Als mensen autonoom gemotiveerd zijn voor iets, dan besteden ze tijd aan de activiteit en herhalen ze die activiteit regelmatig. Dat leidt tot automatisering van de gedragingen. En het blijkt dat het ook leidt tot automatisering van de attitude. In een experiment bleek dat mensen die sterk autonoom gemotiveerd waren om hun vooroordelen te reduceren en geen oordelen te hebben op basis van stereotiepe beelden, wel degelijk net zoals gecontroleerd gemotiveerde mensen biases hadden. Als zij een video bekeken van iemand van Aziatische afkomst produceerden ze, net als de gecontroleerde gemotiveerde groep, meer woorden die geassocieerd worden met het stereotiepe beeld van Aziatische mensen. Maar het verschil ontstond toen er gevraagd werd om een expliciete beoordeling van een situatie. De autonoom gemotiveerde mensen namen de negatieve stereotiepe beelden niet mee, toen ze een beoordeling moesten geven van een situatie waarin een persoon van een andere sociale groep bepaald gedrag vertoonde. Dus, ze onderdrukten hun biases en lieten die geen rol spelen in de beoordeling van situaties waarin bijvoorbeeld iemand met een donkere huidskleur beschreven werd. Gecontroleerd gemotiveerde mensen produceerden veel meer stereotiepe negatieve beoordelingen. Dus: er is sprake van automatisering van de regulatie van vooroordelen, terwijl ook autonoom gemotiveerde mensen gevoelig zijn voor stereotiepe beelden en biases.

  1. Gevoeliger brein voor discrepantie tussen wat je doet en wat je wilt doen

De tweede manier waarop de monitoring van impliciete oordelen plaatsvindt gaat als volgt. Als iemands motivatie om vooroordelen te reguleren autonoom is, dan vindt er een automatische detectie plaats van een verschil tussen je ideale gedrag en je daadwerkelijke gedrag. Dus als je merkt dat je een vooroordeel hebt, terwijl je dat niet wilt, dan krijg je als het ware automatisch een seintje van je brein. Er is verhoogde neurofysiologische activiteit waarneembaar. Deze automatische monitoring of je op de goede weg bent met je gedrag, is een primair neurocognitief systeem dat een belangrijke rol speelt bij onze executieve controle. De anterior cingulate cortex is verantwoordelijk voor de automatische monitoring van onze automatische reacties in het signaleren van de noodzaak om sterkere regulering toe te passen als er sprake is van een conflict tussen de daadwerkelijke reactie en de gewenste reactie.

De ACC activeert een belangrijk neurofysiologisch signaal in dit foutdetectie proces (ERN, error related negativity). Er is een negatieve lading te zien op EEG’s als mensen een fout maken. Mensen die een sterkere ERN laten zien, corrigeren hun gedrag sterker en corrigeren hun vooroordelen sterker. Autonoom gemotiveerde mensen hebben een sterkere ERN dan gecontroleerd gemotiveerde mensen. Als je autonoom gemotiveerd bent, ben je je sterker bewust van negatieve gevoelens en gevaren als je je niet gedraagt zoals in overeenstemming is met je waarden. Dat leidt tot betere gedragsregulatie en beter presteren zoals je wilt presteren. Dat is waarneembaar in je brein.

Legault, L., & Amiot, C. (2014). The role of autonomy in intergroup processes: Integrating Self-Determination Theory and intergroup approaches. In N. Weinstein (Ed.), Integrating Human Motivation and Interpersonal Relationships: Theory, Research and Applications (pp. 159-190). New York: Springer.