aardappelschil“Thin slicing” zijn dunne plakjes gedrag waarop we onze indruk van iemand anders baseren. In 1993 publiceerden Ambady en Rosenthal een artikel waarin ze aantoonden dat mensen goed in staat zijn om de juiste conclusies over iemand te trekken op basis van niet meer dan hele korte videoclips van die persoon. Het geluid was ook nog eens weggehaald, dus de indrukken werden gevormd op basis van het non-verbale gedrag.

Malcom Gladwell’s boek Blink in 2005 beschreef vele anecdotes van onze capaciteit om de juiste conclusies te trekken op basis van hele korte indrukken. Het werd een populaire boodschap: luister naar je intuïtie, luister naar de indruk die je in de eerste twee seconden opdoet. Want die indrukken kloppen. In potentieel gevaarlijke situaties is het inderdaad handig dat we zo snel een indruk hebben. Zo kunnen we ons beschermen tegen gevaar. We handelen snel en intuïtief als we iemand in het donker tegenkomen die een agressieve uitstraling heeft. Als we in staat zijn om de juiste conclusies te trekken op basis van twee seconden, waarom zouden we dan onderzoekend blijven, onze oordelen niet leidend laten zijn in onze interactie met anderen en in eerste instantie een houding van niet weten aannemen? Dat lijkt dan erg omslachtig.

Toch is er veel tegen in te brengen om te koersen op onze snelle oordelen. Ten eerste: twee seconden is relatief. Partnoy nuanceert bijvoorbeeld die twee seconden in zijn boek Wait. Want als je de studies naar “thin slicing” goed leest blijkt het volgende. Hoewel mensen in staat zijn om op basis van twee seconden een goede indruk te krijgen van iemand anders, wordt hun oordeel accurater als ze veel meer dan twee seconden aan informatie verzamelen. Als je bijvoorbeeld relatie-expert bent en een echtpaar twee seconden observeert geef je een minder goede voorspelling van hun huwelijksgeluk dan wanneer je dat echtpaar twee dagen observeert.

Ten tweede: onder de noemer van intuitie kunnen we van alles beweren, bewijs is immers niet nodig want het is je intuitie die spreekt. Mensen vallen snel ten prooi aan allerlei beoordelingsfouten. Hier kun je meer lezen daarover: vertrouwen op je intuitie, gevaarlijk of gewenst?

Ten derde: we hebben allerlei blindspots, blinde vlekken. In dit stukje schrijf ik daar meer over.

En tenslotte: nog los van hoe accuraat je oordeel over iemand is, is het de vraag hoe goed het werkt om te koersen op je snelle oordelen. Of je nu twee seconden of twee dagen aan informatie hebt verzameld. Of je oordeel nu juist is of onjuist. Het werkt vaak niet om je oordeel voor te leggen aan je cliënt of om je vragen te baseren op je oordeel. Als jouw oordeel van iemand leidend is in je gesprek heeft dat vaak dit soort effecten:

1. de coach is veel aan het woord, legt zijn oordeel uit en onderbouwt die en de cliënt luistert en wordt passief.
2. de cliënt gaat zich verdedigen, verontschuldigen en zich minder competent voelen
3. de coach stelt suggestieve vragen, waarbij de cliënt een “hang yourself”-gevoel ervaart
4. de cliënt gaat de coach zien als expert en wordt minder zelfredzaam
5. de zoektocht naar eigen oplossingen blokkeert, de creatieve gedachten van de cliënt stokken

Juist omdat we zo snel in staat zijn om het juiste oordeel te vormen is een onderzoekende houding zo moeilijk. We hebben de neiging om te geloven in de juistheid van onze eerste indruk. Het voelt tegennatuurlijk om dat oordeel terzijde te schuiven en open te onderzoeken. Maar het levert veel op als het lukt: een cliënt die creatief op zoek gaat naar wat werkt voor hem om zijn doelen te bereiken en progressie boekt.

Van oordeel naar onderzoek.