In zijn boek Just babies, the origins of good and evil, legt Paul Bloom duidelijk en overtuigend uit dat de juiste theorie over moraliteit twee componenten bevat.

De eerste component is het besef van goed en kwaad waarmee we geboren worden. De tweede component is wat ons mensen maakt, namelijk het product van onze compassie, onze verbeelding en bovenal onze enorme capaciteit om rationeel te kunnen redeneren.

Baby’s hebben moreel besef

Baby’s zijn morele organismen, die door evolutie beschikken over empathie en compassie, over de capaciteit om de acties van anderen te beoordelen en die zelfs beschikken over een rudimentair begrip van eerlijkheid en gerechtigheid. Uit Bloom’s onderzoeken blijkt dat baby’s, zo jong als drie maanden oud, al een voorkeur hebben voor behulpzaam en aardig gedrag. Baby’s vinden bijvoorbeeld een blokje dat een ander blokje helpt om een heuvel op te klimmen leuker dan een blokje dat een ander blokje juist van de heuvel afduwt. Ze hebben een mening over eerlijke verdeling van speelgoed en snoep en dergelijke, en als ze zelf minder krijgen van de eerlijkheid gebiedt, dan protesteren ze. Ook blijkt uit zijn onderzoeken dat kinderen van ongeveer drie jaar oud geen racistische biases hebben, maar wel een sterke voorkeur voor wat en wie bekend is (we hebben een sterke neiging tot coalitievorming).

Rationeel denken is de drijvende kracht achter morele progressie

De tweede component beschrijft Bloom onder andere aan de hand van de morele cirkelgedachte van Lecky. De morele cirkel omvat alle individuen met wiens lot wij ons verbonden voelen. Die cirkel begint klein (ik vind het belangrijk om mijn directe familie goed te behandelen) en breidt zich in de loop van de menselijke geschiedenis steeds meer uit (mijn klasse, mijn natie, mijn coalitie van naties, de mensheid, mensen en dieren, alle organismen op aarde). Wat deze uitbreiding van de morele cirkel drijft is de menselijke capaciteit tot rationeel denken. Bloom verkent meerdere mogelijke bronnen van onze morele ontwikkeling en komt uit op de menselijke capaciteit om te berenederen wat we goed en slecht vinden als de drijvende kracht achter morele progressie.

Rationaliteit wordt wat Bloom betreft enorm onderschat in de discussies over moraliteit. Er wordt veel meer geschreven over en aandacht besteed aan allerlei onbewuste mechanismen die onze morele oordelen voeden, en automatische reacties van ons lichaam (walging bijvoorbeeld) en religie. Natuurlijk, zegt Bloom, spreekt het meer tot onze verbeelding als we horen dat onze morele oordelen worden gevormd door factoren waarvan we ons niet bewust zijn, zoals de geur in een ruimte of de kleur van iemand’s huid, en daardoor wordt aan dat soort factoren erg veel aandacht geschonken, aldus Bloom. Maar, zo stelt hij, onze capaciteit om te beredeneren wat moreel juist en onjuist is, is de drijvende kracht achter morele progressie. Als je mensen vraagt om hun morele oordeel te onderbouwen, dan zijn ze daar goed toe in staat. Mensen zijn in staat om te beredeneren waarom zij het beter vinden om vegetarisch te worden, zij kunnen uitleggen waarom ze het fout vinden als iemand dronken achter het stuur gaat zitten et cetera.

Een goed geschreven en interessant boek, met een overtuigend pleidooi om rationaliteit de belangrijke plek te geven die ze heeft in onze morele ontwikkeling.