vingertjeDat er zoiets bestaat als intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie is de meeste mensen wel bekend. Intrinsieke motivatie betekent dat iemand met een activiteit aan de slag gaat omdat de activiteit hem interesseert. Extrinsieke motivatie betekent dat iemand met een activiteit aan de slag omdat hij zich onder druk gezet voelt, een beloning wil krijgen of een straf wil vermijden.

Deci en Ryan onderscheiden echter vier verschillende vormen van extrinsieke motivatie, die op een schaal van autonomie gezet kunnen worden. De minst autonome vorm van extrinsieke motivatie is de extern gereguleerde motivatie. Dat is dus die bekende vorm van extrinsieke motivatie. De student leert omdat hij anders straf krijgt of omdat hij dan een beloning krijgt (een goed cijfer). Zijn gedrag is extern gereguleerd, het komt niet vanuit hemzelf.

Veel kinderen vinden de studiestof niet als vanzelfsprekend interessant. Er zijn veel dingen die kinderen moeten leren, die ze niet direct interessant vinden om te weten en waar dus niet direct intrinsieke motivatie toe bestaat. Intrinsieke motivatie is echter direct gerelateerd een goede prestaties. Docenten en ouders zijn erg blij als een kind intrinsiek gemotiveerd is. En als het kind die intrinsieke motivatie niet laat zien, bestaat de natuurlijk neiging van docenten en ouders om te gaan controleren, te gaan duwen.
Er is een tegenintuïtieve weg, die beter blijkt te werken voor het bereiken van goede resultaten. Deci en Ryan beschrijven deze weg. Om die weg uit te leggen is het belangrijk te weten dat er drie andere vormen van extrinsieke motivatie zijn dan de meer bekende vorm van extrinsieke motivatie (beloning en straf). De drie andere vormen van extrinsieke motivatie zijn introjected regulation en de identified regulation en tenslotte de integrated regulation.

Introjected regulation betekent “regulatie die onbewust in de geest is geïncorporeerd”, oftewel het gedrag dat iemand vertoont om tegemoet te komen onbewuste regels en belangen. De student studeert omdat hij in vergelijking met andere studenten goed wil scoren, bijvoorbeeld. De student studeert omdat hij trots willen kunnen zijn op zichzelf of omdat hij angst om te falen wil vermijden.

Identified regulation betekent “regulatie die voortkomt uit het belang dat iemand aan de activiteit verbindt”, oftewel het gedrag dat iemand vertoont om congruent te zijn met belangrijke waarden en ideeën die hij heeft. De student is bijvoorbeeld stil in de klas omdat hij het belangrijk vindt dat er rust is en respect is voor de docent. Hij hecht waarde aan rust in de klas. De activiteit op zich is niet interessant, maar de student wil aan belangrijke waarden voldoen.

Integrated regulation betekent geïntegreerde regulatie, oftewel het gedrag dat iemand vertoont omdat hij bepaalde waarden helemaal heeft geïntegreerd in zijn ego/zelf. De student studeert omdat hij het belangrijk vindt om zichzelf altijd te blijven ontwikkelen bijvoorbeeld. Of de student studeert voor een vak omdat hij het belangrijk vindt om alle onderdelen van het vak te begrijpen en niet alleen de onderdelen die hij interessant vindt. Het verschil met intrinsieke motivatie is dat de studiestof zelf bij deze vorm van motivatie niet in eerste instantie interessant is, maar een achterliggend belang, een waarde die de student zelf helemaal heeft geïntegreerd en omarmd.

Uit een onderzoek in 1994 van Deci, Eghrari, Patrick en Leone bleek het belang van de meest autonome vorm van extrinsieke motivatie voor studiesucces. Er werden twee groepen studenten gevormd. De studenten moesten een oninteressante taak doen. De twee groepen kregen echter verschillende soorten instructies. De ene groep kreeg te horen: je MOET het doen, er is geen specifieke reden waarom het moet en het maakt niet uit dat je het saai vindt. De andere groep kreeg te horen: dit is de goede reden dat de taak gedaan moet worden, de groep kreeg keuzevrijheid ten aanzien van de uitvoering van de taak en er kwam begrip voor de gevoelens van de student dat het saai was.

De verschillen in prestatie en motivatie tussen beiden groepen was groot. De groep die keuzevrijheid ervoer, die begreep waarom de saaie taak gedaan moest worden en die erkenning kreeg voor hun gevoelens dat de taak saai was werkte beduidend langer aan de saaie taak en sprak positiever over de taak. Deze studenten lieten een geïnternaliseerde extrinsieke motivatie zien en bleven zich gedurende een langere periode op de saaie taak richten. De studenten deden de taak dus vrijwillig langer en voelden zich vrij om dat te doen, zij dwongen zichzelf niet maar vonden het prima om de taak te doen en vol te houden.
Hoe meer druk en controle een student ervaart, hoe lager de (extrinsieke) motivatie wordt…..

Intrinsieke motivatie is sterk gerelateerd aan academisch succes. De meest autonome vorm van extrinsieke motivatie, de geïntegreerde regulatie, ligt het dichtst bij intrinsieke motivatie. Het creëren van een klimaat waarin intrinsieke motivatie en geïntegreerde regulatie een kans krijgen, wordt daarmee erg interessant. In een dergelijk klimaat functioneren studenten autonoom. Hoe creëer je zo’n klimaat?

Deci en Ryan ontdekten dat er drie belangrijke factoren zijn in de sociale context die helpen om intrinsieke en de meest autonome vorm van extrinsieke motivatie te stimuleren bij de student. Hoe meer de factoren autonomie, competentie en verbondenheid in de sociale context zitten, hoe meer de student autonoom gemotiveerd.

Hoe meer de factoren controle, gebrek aan acceptatie en begrip en gebrek aan steun/waardering aanwezig zijn in de sociale context hoe meer de intrinsieke motivatie wordt ondermijnd, resulterend in steeds meer extrinsieke motivatie of gebrek aan totale motivatie.

Op scholen is het normaal om te werken met toetsen en testen. Het effect van een toets of een test op de motivatie is echter frappant. Als studenten leren omdat ze een test moeten gaan doen, zijn ze minder intrinsiek gemotiveerd dan wanneer ze leren omdat er een praktisch nut zit aan wat ze leren. Daarnaast scoren studenten die een hoge intrinsieke motivatie hebben beter op de meer conceptuele vragen, ze leren op een diepgaander niveau. Studenten met een intrinsieke motivatie begrijpen de stof echt. Sterk focussen op het testen van kennis leidt tot een lagere intrinsieke motivatie.

De interventies van docenten zijn dus heel bepalend. En het effect van wat docenten zeggen kan in hele kleine dingen zitten. Docenten die bijvoorbeeld zeggen”ik ga binnenkort testen of je het wel begrijpt” stimuleren dus eigenlijk het ontstaan van een extrinsieke motivatie, vaak leidend tot slechtere testresultaten. Docenten die zeggen ‘ik ben benieuwd hoe moeilijk en hoe bruikbaar je deze studiestof vindt’ stimuleren intrinsieke motivatie en leidend tot diepgaander begrip van de stof en betere prestaties. De focus op de activiteit zelf leggen en niet teveel aandacht laten uitgaan naar deadlines en tests helpt om geïntegreerde extrinsieke motivatie en intrinsieke motivatie te stimuleren.

Kortom: autonome motivatie houdt verband met betrokken leren, creativiteit, betrokkenheid en mentale gezondheid. Belangrijk dus om een sociaal klimaat te creëren waarin deze aspecten volop de ruimte krijgen. De factoren die helpen om die autonome extrinsieke motivatie op te wekken zijn AUTONOMIE, VERBONDENHEID en COMPETENTIE. Aandacht voor deze drie belangrijke factoren kan positieve onderwijsuitkomsten stimuleren.

De progressiegerichte benadering heeft deze aspecten sterk in zich en kan docenten behulpzaam zijn bij het creëren van een stimulerend sociaal klimaat in de klas.