IMG_3705 (2)Stel je een eerste jaarsstudent voor op een universiteit. Hij zit in zijn derde maand en het valt hem allemaal vies tegen. Het gaat allemaal zo snel, er is zoveel stof te verhapstukken en veel ook nog in lastig wetenschappelijk Engels. De student vreest dat hij toch niet op de juiste plek zit. Hij dacht altijd dat hij zo slim was. Hij hoefde op de middelbare school ook niks te doen eigenlijk. Fluitend door zijn examens heen. En zijn ouders verwachten die hoge cijfers ook van hem. Je P in 1 jaar halen he! Dat was de algemene verwachting waarmee hij is gestart, drie maanden geleden. Maar nu. De eerste drie tentamens zijn geweest en het was zo moeilijk! Hij is bang dat hij nu toch door de mand aan het vallen is. Hij is helemaal niet zo slim als hij dacht. En als zijn ouders dachten. Hij heeft morgen weer een tentamen, maar is al de hele dag computerspelletjes aan het doen. De boeken liggen boos naar hem te kijken. Hij voelt voor het eerst in zijn leven schoolgerelateerde stress.

Dit is geen verhaal van 1 individu. Heel veel eerstejaars studenten worden geconfronteerd met de stressvolle vraag ‘ben ik dan toch niet intelligent genoeg voor de universiteit?’ En niet alleen tijdens de transitie naar de universiteit kan dit gebeuren, tijdens elke transitie is de vraag aan de orde:’Hoe kijkt de persoon naar zijn onverwachte falen?’ De betekenis die iemand geeft aan de problemen die hij tegenkomt, bepaalt hoe het verder gaat met die persoon. Dus, hoe kunnen docenten en ouders de persoon helpen om een betekenis te geven die de optie open houdt dat de persoon beter zou kunnen worden? Of zelfs de optie aannemelijk maakt dat dat het geval zal zijn?

Uit onderzoek blijkt dat subtiele en kleine interventies een effect kunnen hebben op lange termijn. Hier en hier kun je daarover lezen. Als je nu een eigen groeimindset interventie wilt ontwerpen, dan kun je dit soort ontwerpcriteria gebruiken:

  1. sluit aan bij het perspectief. Luister goed naar hoe de personen voor wie je de interventie wilt ontwerpen naar hun situatie kijken. Wat ervaren zij? Wat is hun perspectief? In het voorbeeld van de eerstejaarsstudent is zijn perspectief bijvoorbeeld dat hij zich overweldigd voelt door al het nieuwe dat op hem afkomt, vaak ook nog voor het eerst op eigen benen staat en het ouderlijk huis net heeft verlaten en aan alles erg moet wennen. Er gaat energie zitten in het maken van vrienden en je thuis gaan voelen in je nieuwe leven. Hij ziet zichzelf als intelligent en wil dat label niet graag verliezen. De interventie moet dus aansluiten bij dit perspectief.
  2. kies wie de interventie gaat doen. Kijk goed wie belangrijk zijn voor de personen voor wie je de interventie wilt ontwerpen. Wie zijn er belangrijk voor eerstejaarsstudenten? Naar wie luisteren ze? Wiens mening respecteren ze? In het geval van de eerstejaarsstudenten zijn dat bijvoorbeeld medestudenten, en dan vooral studenten die net iets verder zijn dan zijzelf. Die hebben immers die eerste heftige periode al achter de rug.
  3. kies welke betekenis je wilt aanreiken. Welke betekenis wil je graag dat de personen voor wie je de interventie wilt ontwerpen gaan geven aan hun situatie? Hoe kun je een boodschap formuleren die de betekenis die zij geven beinvloedt en stuurt? In het geval van de eerstejaarsstudenten wil je bijvoorbeeld graag dat ze hun falen voor de eerste tentamens en hun worsteling met de studiestof niet wijten aan een gebrek aan intelligentie, maar gaan zien als iets wat veel eerstejaarsstudenten meemaken wat komt door de nieuwe omstandigheden en wat ze zelf kunnen beïnvloeden door effectief te gaan studeren en hulp te vragen waar nodig. Een boodschap als ‘de meeste eerstejaarsstudenten moeten erg wennen aan de moeilijkheid van de grote hoeveelheid studiestof…wat je vaak ziet is dat als je goed gaat studeren en hulp vraagt als je iets niet begrijpt, dan je resultaten dan in het tweede kwartiel verbeteren’.
  4. geef de boodschap op een indirecte manier. Dus de vraag is, hoe kun je de boodschap zo verpakken in iets anders, dat de personen voor wie je de interventie ontwerpt niet het idee hebben dat je ze probeert ergens van de overtuigen of dat ze een risicogroep zijn? In het voorbeeld van de eerstejaarsstudenten kun je bijvoorbeeld in een tutorbijeenkomst met tweedejaarsstudenten de tweedejaarsstudenten instrueren om en passent deze boodschap te laten vallen.
  5. maak je interventie kort en actief. Dus zorg dat het klein blijft en geen zwaar accent krijgt. Zo ondersteun je de autonomie van de personen voor wie je de interventie ontwerpt maximaal. Zorg er ook voor dat de persoon in kwestie zelf iets gaat verwoorden. Dus in het voorbeeld kan de tweedejaarsstudent aan een groepje eerstejaars vragen om eens aan elkaar uit te leggen waarom het vaak zo is dat de universiteit in het begin als pittig wordt ervaren, terwijl het in het tweede kwartiel al begint te wennen.
  6. denk goed na over je timing. De subtiele interventies werken als ze worden ingezet op kruispunten. Dus bijvoorbeeld in de eerste week op de universiteit of in de eerste week met een nieuwe docent in een nieuwe klas of bij de start van een nieuw en moeilijk vak of onderwerp.
  7. zorg voor wetenschappelijke onderbouwing. Zorg dat je goed weet waar je interventie op is gebaseerd. Kun je wetenschappelijk bewijs leveren dat je interventie klopt?
  8. rol niks uit. En tenslotte: zorg dat het maatwerk blijft en klein blijft. Neem geen interventie over vanuit een totaal andere context en rol geen grootschalige programma’s uit. Want die aanpak staat haaks op de ontwerpcriteria van 1-7.