De kwaliteit van iemands motivatie kunnen we analyseren op het globale, contextuele en situationele niveau (Vallerand, 2011).

Globale niveau

Het globale niveau is het meest algemene niveau en verwijst naar iemands gebruikelijke manier van functioneren. Iemand kan normaliter een activiteit benaderen met een extrinsieke motivatie oriëntatie of een intrinsieke. Dit kun je zien als het persoonlijkheidsniveau. Bijvoorbeeld, Mikan start vrijwillig met het leren bespelen van een muziekinstrument waarvoor hij veel moet oefenen maar hij ziet oefenen in het algemeen als iets vervelends en aversief en als iets dat hij moet in plaats van wil, en daardoor heeft hij tegenzin om te gaan oefenen ondanks dat hij vrijwillig koos voor het leren bespelen van het instrument.

Contextuele niveau

Het tweede niveau is het contextuele. Dit niveau representeert specifieke levensomstandigheden, zoals de opleiding, het werk, de interpersoonlijke relaties en de vrije tijdsbesteding. Een individu kan bijvoorbeeld op een intrinsiek gemotiveerde manier bezig zijn met zijn hobby terwijl hij extrinsiek gemotiveerd is voor zijn werk. Bijvoorbeeld, Carla is voorzitter van het bestuur van een vereniging en steekt hier veel energie en tijd in terwijl ze zich positief voelt, goed functioneert en positief denkt over haar bestuurstaken, terwijl ze zich elke dag naar haar werk moet slepen en het werken haar energie kost in plaats van oplevert.

Situationele niveau

Het laatste niveau is het situationele niveau, en dit niveau is het meest specifiek en gaat over het hier en nu van motivatie. Het is de motivationele staat van een persoon op een bepaald moment. Bijvoorbeeld, Reinier zit in de biologie les en vond biologie in het vorige jaar altijd erg interessant, maar zijn nieuwe docent stelt zich autoritair op en blaft de klas toe om stil te zijn en aan het werk te gaan en Reinier’s enthousiasme voor biologie glijdt direct af naar het vriespunt.

Opwaartse en neerwaartse invloed

Er is een relatie tussen deze drie niveaus, waarbij de relatie tussen de niveaus die dichtbij elkaar staan sterker is dan de relatie tussen de niveaus die verder van elkaar vandaan liggen. Dit zijn opwaartse en neerwaartse invloeden. Iemand kan bijvoorbeeld een nieuwe activiteit oppakken en onder invloed van het succesvol zijn in die activiteit een situationele hoge kwaliteit motivatie hebben maar ook een contextueel hoge kwaliteit van motivatie krijgen voor die activiteit (opwaartse invloed). Iemand kan ook normaliter op een intrinsiek gemotiveerde manier functioneren en als hij een nieuwe activiteit oppakt ook op die manier met de activiteit aan de slag gaan (neerwaartse invloed).

Psychologische basisbehoeften

De medierende factoren tussen de globale factoren, contextuele factoren en situationele factoren zijn de drie psychologische basisbehoeften; autonomie, verbondenheid en competentie. Mensen die gebruikelijk functioneren met een intrinsieke motivatie oriëntatie hebben de zelfperceptie dat zij competent zijn, autonoom functioneren en verbonden zijn met anderen. Mensen die extrinsiek gemotiveerd zijn voor een specifieke activiteit of op een bepaald moment een extrinsieke motivatie orientatie krijgen, ervaren dat ze onder druk gezet worden voor de activiteit (niet autonoom), autoritair tegemoet worden getreden om activiteit te doen (niet verbonden) en niet in staat zijn om de activiteit succesvol uit te voeren (niet competent).

Training progressiegericht werken met groepen