De replicatiestudies naar het effect van power poses op het niveau van testosteron en cortisol en de bereidheid om risico’s te nemen, geven aan dat de onderzoeksresultaten van Amy Cuddy niet opnieuw gevonden worden. Dit werpt de vraag op hoe sterk het bewijs is voor het doe-alsof principe, dat is gebaseerd op de zelfperceptietheorie. Die theorie beschrijft hoe veranderingen in je lichaamshouding, blik, uiterlijk, ademhaling, stem en emotionele acties je gevoelens en fysiologie veranderen.

Veel van deze onderzoeken zijn gedaan door James Laird et al. Hij publiceerde in 2007 het boek Feelings, the perception of self. (zie ook hier en hier). Laird vertelt in dit boek ook over een veel geciteerd onderzoek van Fritz Strack, uit 1988. Dit onderzoek keek naar het effect van je gezichtsuitdrukking op je beoordeling van een strip. Het was een van de eerste onderzoeken naar facial feedback; het effect van je gezichtsuitdrukking op je beoordeling hoe grappig de striptekeningen die je ziet voor je zijn.

Fritz’ onderzoek toonde aan dat als mensen een  glimlach op hun gezicht hebben, zij de strips als grappiger beoordeelden dan wanneer mensen een frons op hun gezicht hadden. De gezichtsuitdrukkingen werden veroorzaakt met behulp van een pen in hun mond. Gegeven de replicatiecrisis (veel psychologische onderzoeksresultaten konden in een replicatiestudie niet opnieuw gevonden worden), suggereerde Strack om dit onderzoek uit 1988 te repliceren.

Wagenmakers et al voerden deze replicatie uit en publiceerden recentelijk de onderzoeksresultaten. Hun replicatiestudie kon de oorspronkelijke resultaten niet vinden. Het onderzoek van Wagenmakers et al bevatte 1894 participanten verdeeld over 17 onderzoekssets. De resultaten waren inconsistent met de oorspronkelijke resultaten van Strack’s onderzoek. Vrijwel alle factor analyses gaven bewijs voor de nul hypothese (dus geen effect van gezichtsuitdrukking op beoordeling van strips).

Wagenmakers stelt dat deze resultaten geen bewijs geven dat de facial feedback hypothese in het algemeen niet klopt. Het feit dat deze replicatiestudie geen onderbouwing geeft voor de conclusies uit het onderzoek van 1988 zegt wellicht iets over deze specifieke wijze van het oproepen van een gezichtsuitdrukking en het effect op daadwerkelijke emoties. Geen bewijs dus voor het kunnen verwerpen van de facial feedback theorie, maar wel degelijk een indicatie dat meer replicatieonderzoek gedaan moet worden.

Strack zelf heeft bezwaar tegen de replicatiestudieresultaten van Wagenmakers. Hij stelt ondermeer dat de te specifieke populatie waar de participanten deel van uit maken (meest psychologiestudenten, die wellicht al wisten van de facial feedback studies) invloed kan hebben gehad op de resultaten, dat er statistische kanttekeningen te plaatsen zijn, dat het opnemen op camera mensen zelfbewust maakt en dat dit een effect kan hebben gehad en dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de studies in de 17 sets die wel een indicatie waren voor een facial feedback effect en de studies die daarvoor geen indicatie gaven. Wagenmakers is van deze kritiek niet onder de indruk en stelt ertegenover dat de replicatie grootschalig en precies is geweest en geen enkel bewijs heeft gevonden voor facial feedback op deze manier.

Facial feedback en de theorie van de zelfperceptie is een veelomvattend onderzoeksgebied, waarin enorm veel studies zijn gedaan. Deze ene replicatiestudie van Wagenmakers kan dan ook niet een heel onderzoeksgebied onderuit halen. Helene Ase stelt in haar blogs dat er meer replicatiestudies moeten komen naar mimicry, onderbreking van mimicry via instructies (hou je gezicht in de plooi) en fysieke ingrepen (pen in de mond, botox).

Science aug 2015 : een artikel over de replicatiestudies

Wagenmakers-manuscript : replicatiestudie door Wagenmakers et al van Strack 1988

Strack_commentary_accepted : reactie van Strack op replicatiestudie