wolHet artikel “using personal and psychological strenghts leads to increases in well-being over time” stelt dat het gebruiken van je sterktes leidt tot verbeterd welbevinden. Als je kijkt naar hoe de onderzoekers hun onderzoek hebben opgezet, dan lijkt mij hun onderzoek meer iets te zeggen over de samenhang tussen doen wat je goed afgaat en je welbevinden, dan over een causale relatie die loopt van “het toepassen van mijn sterktes” naar “meer welbevinden”. Als iets je goed lukt, dan gaat dat samen met welbevinden: hoezo is dit een bewijs dat het toepassen van je sterktes leidt tot meer welbevinden?

Als je kijkt naar de definitie van sterktes in woordenboeken en in de positieve psychologie dan kom je veel verschillende definities tegen. Een paar voorbeelden:

o The things that you are able to do well or do best
o A natural capacity for behaving thinking or feeling in a way that allows optimal functioning and performance in pursuit of valued outcomes
o Strengths are intrinsically considered a moral quality irrespective of benefits, a stable trait, enhances of other people when expressed rather then harming them and the focus of institutional development (e.g. in religious or educational settings)
o An attribute or quality of particular worth or utility
o a marked innate ability
o an ability that is inherited

Er is een groot verschil tussen deze verschillende definities. En welke definitie van sterktes je hanteert maakt nogal wat uit. De definitie “de dingen die je goed kunt of waar je het best in bent” zegt niets over hoe je dat niveau hebt bereikt terwijl de definitie “een natuurlijke capaciteit om te handelen, denken en voelen op zo’n manier dat waardevolle resultaten worden bereikt” wel de bron van je sterktes aanwijst, namelijk aanleg (aangeboren).

In het onderzoek vroeg men aan mensen:”Hoe vaak pas je je sterktes toe? Men definieerde sterktes als de dingen die je goed of het beste kunt. Maar aan mensen vragen “hoe vaak doe je dingen die je goed kunt” is een heel andere vraag dan “hoe vaak benut je je aangeboren sterktes?”

Als mensen dus aangeven dat ze vaak doen wat ze goed kunnen en dat ze zich goed voelen, vitaal zijn, vol zelfvertrouwen zijn, weinig stress ervaren e.d., dan bewijst dit dat doen wat je goed kunt samenhangt met allerlei prettige dingen. Het bewijst niet dat het opsporen van aangeboren sterktes en die toepassen leidt tot al die prettige dingen. Zou het ook andersom kunnen zijn? Dat wanneer je vitaal bent, zelfwaardering hebt, gelukkig bent en weinig stress ervaart dat dan de dingen die je doet je goed afgaan, waardoor je ervaart dat je goed kunt wat je aan het doen bent?

Waarom is dit wat mij betreft zo belangrijk? Een paar redenen:

1. Ten eerste is het praten in termen van sterktes en talenten belangrijk voor de mindset die je daarmee oproept. Een focus op je aangeboren sterktes en talenten roept een statische mindset op. Dat is geassocieerd met faalangst, weinig inspanning, liegen over fouten, afgunst en competitie, lagere prestaties.

2. Ten tweede is het volgens mij onmogelijk om uitsluitend op te sporen waar je een aangeboren aanleg voor hebt, omdat je huidige functioneren is gegroeid door een samenspel van je aanleg en wat je hebt geleerd, geoefend. Aanleg is in voortdurende interactie met de omgeving, met wat je doet, eet, drinkt, met wie je in aanraking komt, waar je je op focust en waar je aandacht aan besteedt. Identificeren van alleen het deel “aanleg” van je capaciteiten is wetenschappers nog niet gelukt. Wat ze wel hebben ontdekt is dat topprestaties altijd en uitsluitend worden bereikt door veel te oefenen. Feitelijk is het identificeren van alleen het aandeel aangeboren capaciteiten dus volgens mij niet mogelijk. Dus hoe kun je bewijzen dat je je aanleg aan het benutten bent? Waarom zeg je niet dat je aan het doen bent waar je goed in bent geworden door een combinatie van aanleg en oefenen en leren? Of alleen maar door oefenen en leren? Het woord talent doet geen recht aan hoe je je niveau hebt bereikt.

3. de nadruk op het opsporen van je sterktes en het benutten van je sterktes is eenzijdig en risicovol. Onderzoek beschreven in het boek The perils of accentuating the positive laat zien dat mensen meer nodig hebben dan doen wat ze goed kunnen om goed te kunnen functioneren. Iemand die alleen zijn sterktes wil toepassen schiet al snel tekort om effectief te kunnen zijn in een functie. Daarnaast loop je het risico om nieuwe dingen, waar je nu nog niet goed in bent, nooit te ontwikkelen, omdat je je focust op wat je al kunt. En als je de dingen die je nu nog niet kunt geen aandacht geeft word je er nooit goed in, wat weer een “bewijs” voor je kan worden dat je er geen aanleg voor hebt. Dat leidt tot stagnatie in plaats van progressie.

Ik ben benieuwd of er meer mensen moeite hebben met de focus op sterktes en talenten en betwijfelen of dit de juiste weg voorwaarts is?