Autonome motivatie is dus een kwalitatief veel betere motivatie dan gecontroleerde motivatie (zie ook hier), dus hoe kunnen docenten en ouders autonomie-ondersteunend omgaan met de student? Autonomieondersteuning is het interpersoonlijke gedrag dat iemand vertoont naar iemand anders toe om diens innerlijke motivationele processen te voeden en om diens authentieke zelfregulatie van acties te voeden. Hier is een lijstje van in onderzoek gevalideerde gedragingen van docenten die autonomieondersteunend zijn:

  1. Luisteren: de tijd die de docent neemt om naar de meningen van de studenten te luisteren gedurende de les.
  2. Vragen wat de student wil: de frequentie waarmee de docent vraagt wat de student wil of nodig heeft.
  3. Creëren van individuele werktijd: de tijd die de docent aan de student geeft om zelfstandig en op zijn eigen manier te werken.
  4. Aanmoedigen om van je te laten horen: de tijd dat studenten zelf aan het woord zijn gedurende de les.
  5. Seating arrangements: de stoelen op zo’n manier neerzetten dat de studenten dichtbij de trainingsmaterialen zitten in plaats van dat de docent alle trainingsmaterialen beheerst
  6. Rationale geven: de frequentie waarmee de docent redenen aangeeft en uitlegt waarom activiteiten belangrijk zijn en waarom een bepaalde manier van denken, gedragen en voelen nuttig kan zijn
  7. Complimenten als informerende feedback: de frequentie waarmee statements worden gecommuniceerd die positief waarderen hoe de student aan het verbeteren is en de taak al aan het leren beheersen is
  8. Aanmoediging: de frequentie waarmee statements worden gecommuniceerd om de betrokkenheid van de student te waarderen of een boost te geven
  9. Tips geven: de frequentie waarmee de docent suggesties geeft aan studenten die vastlopen
  10. Responsief zijn: de mate waarin de docent reageert op opmerkingen en vragen en suggesties van de student
  11. Perspectief: de frequentie waarmee de docent empathische statements communiceert om het perspectief van de student te erkennen

Controlling gedrag van docenten

Gecontroleerde motivatie wordt opgeroepen op het moment dat docenten en ouders dit soort gedragingen laten zien:

  1. Autoritaire opdrachten geven, zoals ‘doe dit’, ‘sla de bladzijde om’, ‘zet hier neer’ et cetera
  2. Controlerende taal gebruiken die aangeeft dat studenten zich anders moeten gedragen, voelen en denken dan ze zich nu gedragen, voelen en denken
  3. Opleggen van ‘de juiste manier’: voordat studenten zelf gelegenheid hebben gehad om een manier van gedragen te vinden die effectief is ze opdracht geven zich op een bepaalde manier te gedragen
  4. Voordoen van ‘de juiste manier’: voordat studenten zelf gelegenheid hebben gehad om een manier van gedragen te vinden die effectief is de juiste manier van gedragen expliciet voordoen
  5. Monopoliseren van leermateriaal: de docent bezit en monopoliseert het leermateriaal
  6. Controlerende vragen stellen: het communiceren van directieve aanwijzingen in de vorm van een vraag en met de intonatie van een vraag

Training progressiegericht leidinggeven