tobbenMet het diverser worden van de Westerse samenlevingen, is ook de sociale norm sterker geworden dat het hebben van vooroordelen hebben niet wenselijk is. Maar mensen zijn van nature geneigd om de wereld te categoriseren in ‘wij’en ‘zij’, waarbij ‘wij’ in een positiever licht wordt gezien dan ‘zij’. Daardoor ontstaat de motivationele paradox dat mensen het doel hebben om vooroordelen over andere sociale groeperingen te verminderen terwijl ze tegelijkertijd moeite hebben dat ook echt waar te maken.

De kwaliteit van je motivatie om vooroordelen te verminderen, is doorslaggevend voor in hoeverre het je lukt om voorbij die vooroordelen te komen. De meeste onderzoeken in de zelfdeterminatie theorie richten zich op de effecten van de kwaliteit van je motivatie op je gedrag. Maar het onderzoek van Legault en Amiot richt zich op de effecten van de kwaliteit van je motivatie op je attitude. Dat is bij vooroordelen tegen sociale groeperingen zeer relevant: verandert je attitude ten aanzien van andere groeperingen echt of doe je net alsof vanwege sociale wenselijkheid?

Er zijn diverse kwaliteitsniveaus van motivatie. De laagste kwaliteit is de afwezigheid van motivatie. Je kunt niet gemotiveerd zijn om vooroordelen tegen andere sociale groeperingen te verminderen. Je vindt dan bijvoorbeeld dat het niet hebben van vooroordelen op basis van huidskleur, geloofsovertuiging, seksuele geaardheid en geslacht niet nodig is. Of je ziet geen mogelijkheden om je vooroordelen te verminderen.

Als je wel enigszins gemotiveerd bent om vooroordelen te verminderen, dan kan je bijvoorbeeld je vanuit plichtsbesef conformeren aan regels in de organisatie of in de maatschappij. Moet je bijvoorbeeld iemand aannemen voor een functie en weet je dat je daarbij verplicht bent om niet te discrimineren, terwijl je het daar zelf niet mee eens, dan ben je gecontroleerd gemotiveerd om je vooroordelen geen rol te laten spelen in je selectiebeslissing. Een derde vorm van motivatie kan zijn dat je jezelf onder druk zet om geen vooroordelen te hebben tegen mensen uit andere sociale groeperingen. Je voelt je schuldig als je jezelf betrapt op racistische gedachten, bijvoorbeeld. Deze twee voorgaande vormen van motivatie zijn gecontroleerde motivatie.

En dan de drie vormen van hoge kwaliteit van motivatie. Je kunt het belangrijk vinden om je eigen vooroordelen te verminderen, omdat je gelooft dat gelijke behandeling voor jezelf en voor de samenleving als geheel beter zou zijn. Je kunt ook gemotiveerd zijn om je eigen vooroordelen te verminderen, omdat je jezelf ziet als iemand die zo min mogelijk vooroordelen wil hebben en iemand die niet racistisch is. In dat geval is het niet willen hebben van vooroordelen een integraal onderdeel van je persoonlijkheid. Tenslotte kun je intrinsiek gemotiveerd zijn om te streven naar vooroordeelloos zijn, omdat je het plezierig en interessant vindt om met andere sociale groepen samen te leven en om actief te zijn op het gebied van diversiteit.

Deze laatste drie vormen van motivatie zijn autonome motivatie. Dat is negatief geassocieerd met racistische gedachten en uitspraken, zoals het ontkennen van de achterstand die mensen met een donkere huidskleur hebben in een witte samenleving, negatieve uitingen en gevoelens over sociale groepen die anders zijn dan de jouwe en modern seksisme. Ook zijn mensen die een hoge kwaliteit van motivatie hebben om hun vooroordelen te verminderen, minder angstig voor andere sociale groeperingen. Zowel op expliciete tests als op impliciete tests scoren mensen die autonoom gemotiveerd zijn om geen vooroordelen te hebben minder bevooroordeeld.

In hun onderzoeken kwamen de onderzoekers erachter dat mensen die autonoom gemotiveerd zijn voor het verminderen van vooroordelen, net zo gevoelig waren voor activering van een stereotypen als gecontroleerd gemotiveerde mensen. Het is dus niet zo dat er geen stereotiepe beelden zijn bij mensen die autonoom gemotiveerd zijn om hun vooroordelen te verminderen. Het verschil tussen autonoom gemotiveerde mensen en gecontroleerd gemotiveerde mensen ontstaat bij wat ze vervolgens doen met dat stereotiepe beeld. Het bleek dat de mensen die autonoom gemotiveerd waren, minder negatieve beoordelingen gaven ten aanzien van personen uit andere sociale groeperingen.

Als autonoom gemotiveerde mensen eerst werden geprimed met een negatief stereotype, maakten ze zelfs nog wat minder negatieve oordelen dan wanneer ze niet waren geprimed. Maar mensen die gecontroleerd gemotiveerd waren, hadden wel negatieve oordelen over personen uit een andere sociale groep en die negatieve oordelen waren nog wat sterker wanneer ze waren geprimed met een negatief stereotiep beeld van een persoon uit de andere sociale groep.

Het is niet zo dat het autonoom gemotiveerde mensen erg veel moeite kost om hun vooroordelen te verminderen. In tegendeel, het onderdrukken van het vooroordeel gaat automatisch bij hen. Ze hebben het dusdanig geïntegreerd in wie ze zijn, dat het ze geen inspanning kost. Het voorkomen van negatieve oordelen van andere sociale groepen kost mensen die gecontroleerde motivatie hebben om hun vooroordeel te verminderen, juist wel veel moeite. Bij hen gaat het niet automatisch, ze moeten er bewuste inspanning voor leveren en zijn sneller uitgeput van hun pogingen om hun vooroordelen te onderdrukken.

Dus, als je het verminderen van racisme, seksisme en vooroordelen op basis van geloof en seksuele voorkeur belangrijk vindt, hoe kun je dan als samenleving ervoor zorgen dat mensen autonoom gemotiveerd raken voor het verminderen van ‘wij’, ‘zij’ denken?

  1. Geef mensen vrijheid en keuzemogelijkheden ten aanzien van hoe ze de idealen van gelijke behandeling willen vorm geven in hun eigen context
  2. Geef informatie over hoe gelijke behandeling en reductie van vooroordelen op school, in organisaties en in samenlevingen tot voordeel voor iedereen kan leiden
  3. Help mensen om te onderzoeken bij zichzelf hoe onbevooroordeeld zijn en positieve relaties tussen verschillende sociale groepen voor hen waardevol, betekenisvol en prettig zou kunnen zijn
  4. Gebruik geen straffen, beloningen, controlerende taal, sociale druk om van mensen te eisen dat ze geen vooroordelen hebben

Als voorbeeld: de onderzoekers deden een experiment waarbij er drie groepen waren. In groep 1 zaten mensen die een brochure kregen waarin stond dat ze niet mochten discrimineren, in strenge controlegerichte taal. In groep twee kregen mensen een brochure waarin op een autonomie-ondersteunende manier werd gesproken over gelijke behandeling en verminderen van vooroordelen. Groep 3 kreeg geen brochure die ging over vooroordelen en gelijke behandeling. Het bleek dat de mensen die de brochure hadden gekregen met de dwingende taal sterk meer vooroordelen hadden dan de mensen die de autonomieondersteunende brochure hadden gekregen en ook veel meer vooroordelen dan de mensen die geen enkele brochure hadden gekregen. De mensen die de autonomie ondersteunende brochure hadden gekregen hadden minder vooroordelen dan de mensen die geen brochure hadden gekregen.