Herman Kolk vraagt zich in zijn boek “vrije wil is geen illusie” af waar de vrije wil zijn slechte naam aan te danken heeft. Als “vrije wil” een illusie is waarom gebruiken we dan woorden als “willen”, “ervoor pleiten dat”, “ergens voor zijn..”etc?

Tien hoofdpunten uit het eerste deel van zijn boek:

  1. velen stellen vraagtekens bij het bestaan van de “vrije wil”. In onze hersenen is al te zien dat we een activiteit aan het voorbereiden zijn, terwijl we pas iets later zelf rapporteren dat we die activiteit willen gaan ondernemen (Libet-experimenten). Is dit inderdaad een bewijs dat een vrije wil niet bestaat?
  2. Nee, zegt Kolk, in plaats van te concluderen dat we geen vrije wil hebben omdat onze hersenen al voordat we ons het bewust zijn een bepaalde actie aan het voorbereiden zijn, kunnen we ons wat Kolk betreft beter richten op het onderzoeken van de “hersenwetenschap van de vrije wil”.
  3. veel van wat we doen, doen we inderdaad automatisch en onbewust. Wat we hebben geleerd zijn wisselende gedragspatronen die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze tot iets waardevols hebben geleid. Gedragspatronen worden opgeroepen door de situatie waarin we ons bevinden en ze kunnen tijdelijk sterker worden.
  4. Maar dat we zoveel op de automatische piloot doen wil niet zeggen dat ons bewuste onbelangrijk is. Dat blijkt bijvoorbeeld wel in de situaties waarin ons bewuste ons opeens in de weg kan zitten. Als we ons opeens bewust worden van onze handen terwijl we piano spelen kan een stuk dat we anders makkelijk konden spelen opeens moeilijk worden. Ons bewust speelt dus wel degelijk een rol, soms zelfs een verstorende rol.
  5. wanneer is “willen” dan van toepassing? Het concept “willen” is van toepassing wanneer het draait om een gedragsverandering in een gewenste richting.
  6. het blijkt namelijk dat de macht der gewoonte doorbroken kan worden. We kunnen ons automatische gedragspatronen doorbreken door ergens aandacht aan te besteden. Door aandacht te focussen kunnen we onze automatische gedragspatronen veranderen.
  7. als we onze aandacht focussen gebeurt er iets interessants. Vrijwillig gedrag is gedrag waarmee het organisme bereikt wat van waarde is voor hem. Hersenen zijn in staat om iets te willen. Het deel van de hersenen waarmee we iets willen is de mediale frontaalschors. Het is een aandachtsstructuur die in staat is gedragspatronen selectief te versterken op grond van de verwachte meerwaarde. Het brengt vrijwillig gedrag tot stand.
  8. Dat doet de mediale frontaalschors door dat die in staat is om informatie waar je op let selectief te versterken. Ten tweede kan de mediale frontaalschors meer geschikte gedragspatronen versterken ten gunste van andere gedragspatronen. Tenslotte beschikt de mediale frontaalschors over informatie over de toegevoegde waarde van een gedragspatroon.
  9. Aandacht versterkt alle gedragspatronen, afhankelijk van hun toegevoegde waarde.
  10. Wij zijn in staat tot vrijwillig gedrag. Selectieve aandacht is verantwoordelijk voor dit proces: zij versterkt alle gedragspatronen naar de mate waarin zij toegevoegde waarde bezitten.

Een zeer interessant en aanbevelenswaardig boek!

NOAM